De waneer van de gezant der wilde dieren is een aangename vertoeving op dit nachtelijk verlicht vensterbankje.
Het siert mij in eenvoud dat ik hier lig.
Of toch dat zegt een moreel zelfbeeld.
De bewindvoerder van de kapitein, het hoofdschip, vaart tegen de kade van mijn wijfel. De meer ik de plooien van mijn jachtjapon aanhecht, de kleiner ze worden, deze figuren.
