Robijn Bodijn

Gebruikersnaam Robijn Bodijn

Teksten

Tinder Lucifer

How the King of Matches lost his bargain One equalsBerlin Wallsdancing 8/6=1,336/8=0,751,33+0,75=2,08How do we make this one again?6/8=0,758/6=1,33 So, either we lose one or we lose it again.But do we really want only one?Suppose we lose it again, what would happen then?We're down with one again. I hate to be alone.Whether it be 56 or 65, I'll make it my home.To excess your territory is not always intruding another one's integrety.It really doesn't matter if you make it a new one.But do we really want things not to matter?Do we want all our dreams to shatter?The things that dreams are made of are not always at hand.There are always Close your eyes and count to ten.Make it two and count again.I saw you peeking through your fingers...Count to three and we'll make it a new one. In the end, there was no one.I hate to be alone.These four walls, still they haunt me.I whispered through: your secret's safe with me, my friend.It's great fun to pretend. My home was shattered, it was never me that mattered.I wanted the things they dreamt for me.There are alwaysMore numbers. I'd love to intrude your integrity, acces nothing but your territory. Does that make you less one of me?There are more numbers than things to see.So, no, I don't want all of you.One less will do. For infinitely, no walls come in between.They only add to their belief that there is so much left to see.More than numbers, letters, things to shatter.More you nor me.Ignoring facts and numbers, words, again, are all I have.Down to the playground, where a profound religion allowed to play around.It's great fun to pretend when one has nothing on its hand. But does it gain us in the end?Probably.There are always things We don't know that for sure.For sure we can Either wayWithout numbers, facts or figuresThere are always words to say, that whisper through the walls.That's what we are forFriends In the end we gain what we lost.I hate to lose alone. One equalsA lot more matches

Robijn Bodijn
0 0

Het maar ik

  JijJij weet het niet Maar ikJaIk weet het wel Dat meen je nietJe liegt tegen jezelfZo heb het niet bedoeld Zie jeDat ben ikZo ben ik danIk ben Maar jijJij twijfelt,Je meent het nietWaaromDat wil ik nietIk wil niet dat je liegt NeeIk ben wie ik ben dusJa Ik meen het datIk twijfelHet isHet is zoals het isWaaromIk wil dat niet Maar jijJij meent het gewoonJij meent het en het is waarHet is gewoonZo gewoon Ik ben het gewoon zoIk weet wat het isHet is zoals het isWaaromHet is ik Je twijfelt waaromWaarom Het is te mooiMaar ik Het is mooi zoZo is hetIk Ik zie jeIk die het zieJe ziet wat je wil Je ziet nietIk wil stervenWaarom Sterven het is te mooiWaarom sterven maar wetenSterven dat jij het weetHet is mooi zoMaar goedIk weet het Zie jeJe wil niet Sterven ondanks Het is maarIk Zie hetIk wil dat je weet je weet dat ik het weetWeet je Meen hetIk twijfelTwijfel niet meer WilNiet sterven WaaromIk vraag aan jou waaromNiet Ik vraag het aan jouAan jou en niemand andersAan jou omdat niemand anders weetZie jeNiemand ziet Zie je niet dat ik ook twijfelWeet jeOmdat ik niet lieg tegen ik Is het Maar ikHet is maarIk ben het niet meer Het moetIk moet zwijgenZeg me waaromWaarom ben je zo moe JaMaarJa zeggenJa het moet Het moeten willenNiet mogen stervenIk wil niet meer Je moetJaZeggenJe magNiets zeggen Nee Sterven voor jouw twijfelOmdat ik het weetIk weet het gewoon Ik wil sterven voor jouMaar jij wil niet dat ikIk meen hetSterven wil je ook Niet mogenWil ik dat nog Maar ik ben echtJe weet hetWeet het gewoon Je weet het niet zekerWeet van niet beterHet isMaar ik meen Je weet het ook niet meerKan dat niet wetenMag ik niet weten watIk weet niet wat je zegtEcht Ken jezelf Dat is ZoMaar goedDat ben ik maar Ik zou dat nooit doen Mag nietMoetIk kan het niet meer zeggenIk mag nietMaar ik wil sterven Ik ken mezelf Ik wil niet sterven in het zwijgenIk wil sterven en wetenHet weten dat wil ikIk wil dat waarom Waarom wetenJe meent het echtMeen je dat ik niet mag Zou kunnenHet zou mogen Maar IkWil sterven en weten dat jij weet dat Niet gewoon bent om anders te zijnIk ben andersGoed Dat ik anders ben maar echtAnders gewoonDat wil ik zijnIk kan niet anders Ik mag niet gewoon Kan niet zijnMoet het gewoon worden Wie ik benAllesGewoon worden Ik moet niet allesAlles gewoon wordenVan jouWil ik allesAlles voor jouAnders dan jezelf Jij bent gewoonDat wil ik ookGewoonJe wil dat ik word wie ik benAlles Ik wil dat zeker zijnBen je Zeker dat ik het meenIk Waarom jij Niet ik Waarom wil ikSterven voor waaromWaarom niet voor mijVoor jouDat wil ik nietIk wil dat je wordt wie je bent Maar jijJij weet niet waarom Ik      

Robijn Bodijn
0 0

Twee dingen die ik niet ben (een jonge vrouw en een hond)

een woord wordt gegeven, het spreekt voor zich het beeld is een vergaarbak voor liefdesstralen scherven in maanlicht over verwoestijnde straten een onderwereld verklaren aan de sterren ooit in de kern van het glas hun thuis begrepen betekenis is gebleven opdat het opzet dat zo bedoeld had, vragen worden opgeworpen, voorkomen dat problemen ontstaan als hoeder van de schaduw treed mijn lantaarn hoop uit een niet aflatend verleden een hond trouw voor zover hij zonder meester nooit vooruit is gegaan zijn nieuwe thuis als kunstlicht op klare dag de verklaring van het feit, niet bedoeld als ondersteuning voor de schuldenlast mijn standpunt verbloemt, voor zover ik het stilistisch nodig acht een beeld is origineel als het naar de kern teruggaat de wedergeboorte van het licht blijkt een achtervolgingswaan de drager een drenkeling mijn inzicht leidt de weg, niet de kern van mezelf de weg draagt meer hoop dan verantwoordelijkheid in de kern van een dood voorwerp een zelf bedruipend vluchtoord betrekken gedachten vooruitzicht strijkt een schakering hoop uit een zwart allegaar het woord, de indruk die je deelt, niet wat je nalaat eens het goede is gedaan het voorwerp ondergaat, maar een feit kent geen zelfbeklag de grauwe aanblik van mijn verveling overschildert in een afgewend ogenblik de leugen maar een voorgehouden spiegel vertelt een ander verhaal dan een nietsvermoedend vensterraam mijn schuldenlast verbergt dat het voor zich spreekt dat een inzicht wat gedaan is ondergaat een onderwerp, zwaarmoedig, voor zover ik probeerde te volgen vragen worden problemen als de kern van het voorwerp de schuldenlast ondergaat afstotelijk naakt na de dood van een ster als het woord is gegeven en de betekenis is gebleven had het origineel zich opgeworpen, was de aanzet van het opzet gedaan het beeld, een inzicht in de verklaring voor het feit dat voor het voorwerp een woord was ontstaan de leegte kreunt als hoeder van de schaduw zijn hond sleurt in een getrokken geeuw een tong onuitgesproken terug begrip omvat niet de mogelijkheid van het niet bestaan ik verlies je niet als ik je niet, onbewust, vergat de morgen ontmaskert patronen benen van wat hun reeds lang is ontgaan onderwijzend is de tijd als een moeder van wanhoop voor hun voeten geworpen ik begrijp je voor zover het niet zwaarmoedig werd zolang een hunkerend blank doek berust in zijn streken zullen zij dansen met de schemer verbloem het probleem in de kern van de verklaring voor zover een stilistisch beeld de verantwoordelijkheid van een standpunt niet mogelijk acht onuitgesproken het beeld van een naakte jonge vrouw een ingeving uit de onderstroom van een droom in de dood van een ster in uitgeholde oogleden vindt een doelloos kanaal afleiding in de verklaringen van de hond en zijn hoeder wiegen hun vragen het wrak van de leegte een weg door de schemer met een hond en een jonge vrouw tussen benen dingen die ik niet ben

Robijn Bodijn
0 0

verloren woorden (een verslag)

als grootvader sprak, luisterden de vogels vergezichten verrezen voor zijn ogen uit hun afgrond, er waren bergen, bergen van ijs te meer ze versmolten, te meer bevroor het hart van de samenleving dorpen werden schiereilanden, hun inwoners dreven verder en verder van elkaar weg runderen die over dit oppervlak heersten, vielen ten prooi aan fijnproeverij op porseleinen borden gevogelte scharrelde verwoed in vuilnisemmers, als ooit een kuiken uit een kinderhand bossen verkommerden als een kamerplantje op de vensterbank, akkers verdronken in een geurende, verzuurde vijver kantoorgebouwen teerden naar hartenlust op deze kwetsbare ondergrond straten werden als een studentenkamer door de laatste feestgangers verlaten danszalen werden kraakpanden en kraakpanden danszalen iemand moet zich evenzeer als een verloren kind op het land hebben gevoeld de wind kreunde een oerschreeuw verbrak het zwijgen de huid van de aarde verkrimpte als een dame op latere leeftijd beken stroomden als verkleurde aders door het landschap sneeuwwater werd in overvloed op een hoorntje gegoten er werd hardop gezucht verdriet was nog te lezen in de ogen van ouderen op een bankje of achter het gordijn van een vensterraam op eindeloze straten grootvader las een boek er is een grot waar alle water samenstroomt, het is de schatkamer van het verleden kleinzoon dronk er met een rietje uit hij had wel andere zorgen er stond een koper aan de deur nieuwsgierige aasdieren stortten gretig op hun ouderwetse bereidwilligheid dierbare herinneringen werden al snel een gebruiksgoed de laatste van hun soort soms onderbrak grootvader zijn weinige woorden dan keek hij zover over de wereld tot niemand nog geloofde dat hij het niet meer zag het landschap verkruimelde, een dapper struikje weerstond de weerbarstige wind grootvaders vingers vertakten, verloren hun grip op een omgeving die ooit dermate vanzelfsprekend was zaden van het struikje vervlogen vruchteloos in de storm hij was hier geboren, op deze houtstronk boven de laatste pijler van een verdorven samenleving het dorpsgebeuren speelde nog iedere dag door zijn vertimmerde geest zijn verkneukelde handen hielden nog even hard vast aan zijn vrouw als op die vreugdige zomerdag in juli, toen ze elkaar verzochten het leven samen door te brengen geen van beiden vroeg zich sinds die dag nog af waarom, dat laatste paar dromen had hij nog aan niemand verkocht tegenwoordig is iedereen voortdurend onderweg grootvader las verder het streven naar de waarheid de mensheid werd grootmoedig, durfde zo lang in het licht staren dat hij zichzelf de ogen uitstak zijn hand strekte zich naar de zon als een gebruiker naar zijn middel, als een psychoot naar zijn hallucinatie zolang hij de leugen ervan kon ontkennen, vergreep hij zich eraan een pijnlijke misvatting de mensheid verbrandde zich dermate aan de waarheid, tot zijn vingers zich verweerden als een houthakkershand mens trok zich niet terug verdwaasd door het gouden schitterlicht aan de bovenlucht, verruilde hij het dierbaarste wat hij had om de leugen in stand te houden mens zou zijn laatste kruimel hebben verpand tot er niets dan het ontkennen overbleef, tot de leugen zijn waarheid werd er kwam de man die nuchter in het leven stond hij probeerde vergeefs een gesprek aan te knopen met de mens in de goot, tikte verwoed op zijn schouder tot hij zeker wist dat er geen antwoord meer kwam de mensheid werd afgevoerd naar wat er ook van worden zal onderweg liep de man door straten van zwervers en bedelaars bij elke munt die hen toewierp woedde er een oorlog in hemzelf hoe was het zover kunnen komen en wat maakte hen anders dan hemzelf? hij liep nog een kroeg binnen en strompelde verder naar huis daar trof hij zijn grootvader, schijnbaar nietsvermoedend aan een limonade slurpend dat was wanneer de brand ontaardde mensen liepen elkaar voor de voeten in hun vlucht voor het vuur grootvader liet hen begaan, hij wist beter de kaarten lagen reeds op tafel grootmoeder grijnsde bitter ze was op een dwaalspoor gezet in haar hoofd weergalmden de woorden van een oude priester op een doordeweekse zondagochtend in een veel te koude kerk wie het goede wil verkrijgen, moet het kwade omarmen er was geen ontkomen meer aan sommigen stortten zich reeds in hun afgrond, anderen ploeterden verder in de mensenstroom roes vespreidde zich als een giftige damp over de samenleving de laatste middelen werden een gegeerd goed onder de rijken dat was voor de lucht verduisterde de stem van kleinzoon stokte grootvader slurpte verder de maan zag er dermate gevaarlijk uit die avond buiten gebeurde er veel mensen liepen verdwaasd door de straten, hun kreten werden gesmoord door het vensterraam soms steeg een integer gehuil boven de muren uit er moest weer iemand verloren zijn schouders werden opgehaald, anderen knielden in verslagenheid dan kwam het een bewustzijn trad in als een politiehorde over verboden plaatsen terugkeer was onmogelijk, alle vluchtwegen waren afgesloten gedachten omcirkelden als speurende helikopters het hoofd van kleinzoon nog voor hij zijn schuld kon bekennen, werd de moed hem ontnomen als een geldbeugel op heldere dag, maar iedereen was slachtoffer, tegen dergelijk oordeel was geen beroep de wereld grijnsde als een bankier die net een klant over de vloer had gehad haar wraaklust was bevredigd, maar de schade was onherstelbaar en kon niet meer worden terugbetaald een symbolische munt werd nooit meer uit de riolering opgevist die dag verscheen de zon verlegener dan ooit aan de horizon desondanks kwam er een nieuwe goedemorgen, een gebed voor de maaltijd, een overvolle wasmand, een niet te overziene vaat, vermoeide ogen en een gebroken ruggegraat een verhaaltje voor het slapengaan, een troostende kus op het voorhoofd van nog hoopvolle kinderen eens het zwijgen was hersteld, vervolgde grootvader zijn dag en grootmoeder haar taken had ik het niet gezegd die avond trok grootmoeder hem nog eens dicht tegen zich aan zo mag het voor mij eindigen een waakzame grootvader keek op van zijn limonade alsof hij op dit moment had gewacht hij wees naar zijn lege glas, grootmoeder schonk nog eens vol kleinzoon keek verstard uit het vensterraam op de achtergrond golfde het land in eb en vloed voor het overige was echter alles verdwenen grootmoeder sprak voor kinderen en kleinkinderen haar woorden drentelden rond de tafel als zijzelf ze verhief haar stem als een lepel maar haar spreuken verkruimelden, beschuit in de soep ik was er enkel om te luisteren als een dief op de trap verzamelde ik flarden maar haar wijsheid was ongrijpbaar, haar schort grootmoeder sprak zoals ze breidde diezelfde avond trok ze me echter dichter bij haar ze fluisterde als een buurmeisje over de struiken grootvader staarde schijnbaar goedkeurend vanonder zijn vermoeide ogen ze legde haar breiwerk voor me uit het was kleurrijk, een venster op een herfstige buitenwereld het zijn niet zozeer de kleuren die vervagen maar de patronen die vervelen ze wierp een vinger naar het venster en huiverde minder dan ooit tevoren de wereld vergrijst maar spreuken keren terug als de jaargetijden waarvan ze beweren dat ze verdwenen zijn vroeger was het beter zei mijn grootvader al, die zelf met zijn voeten in de strond stond te ploeteren haar woordenstroom stokte als een breiwerk waar even van opgekeken werd ze verdraaide de vingers rond de volumeknop van haar radio alsof ze daar de draad had laten vallen tranen liet ze echter minder dat werd mijn grootmoeder ik legde haar de woorden in de mond als een vals gebit in een glas bruisend water, een luisterdief op de trap tegenwoordig ben ik dichter onschuldige voorbijgangers worden onderworpen aan mijn verhaal ik spreek voor kenners en verwanten, verhef mijn stem als de pen die meer en meer spreekwoordelijk wordt, verwaarloos mijn gedicht de loodgieter vond toch ook het warm water niet uit? de dichter sprak zoals grootmoeder breidde vanavond laat ik haar tranen

Robijn Bodijn
0 0

van die gure, ongeschoren verhalen

Er zijn van die gure, ongeschoren verhalen, verhalen die beweren de waarheid te vertellen, verhalen die het beter weten dan U en ik. Ze nemen al te vaak geen blad voor de mond. Sommige verhalen zijn eerder verteld. Ze worden gehekeld door gure, ongeschoren dichters die van hun ergernis hun beroep hebben gemaakt. Ik zou uren naar hetzelfde woord kunnen luisteren. Voorspelbaarheid is een gift, geen gebrek. Dat het me niet kon verbazen, was mijn enige verwondering. Ik verveelde mezelf met drogredenen om niet gelukkig te zijn. Mensen trokken zich terug als badwater dat al veel te lang was blijven staan. Ik moest zelf maar achter de stop vissen. Er was iemand die me vertelde dat er ook goeie momenten waren, kleine dingen waar men zich aan kon vasthouden. Ik werd al snel doodjaloers. Ze raadde me aan naar de snoepwinkel te gaan. Thuis had ik nooit veel gehad. Ik weet nog hoe fier ik was toen de kapster mijn eerste haarlok certificeerde. Tegenwoordig hing het maar wat over mijn ogen in puur zelfbeklag. Gelukkig waren er fotoboeken om mijzelf te vertellen wat voor een braaf kind ik was.In de snoepwinkel keek ik eerst mijn ogen uit, inventariseerde het aanbod waar de kassierster bij stond. Toen heb ik toch maar betaald. Ik verbeeldde me graag hoe de juffrouw vroeg hoe het was. Ik had zelfs al een antwoord klaar. Dergelijke gesprekken met mezelf waren eerder regel dan uitzondering geworden. Dat was rond de tijd van mijn eerste gedicht. Ik wist eigenlijk niet of de kassierster het nu over het snoepgoed of mijn welzijnstoestand had. Terug thuis sloeg de band aan. Er weerklonk een ouderwets levenslied vanuit mijn nieuwerwetse radiospeler. Ik had het altijd al voor andermans jeugd gehad. De lessen wogen zwaar. Mijn boekentas hing bijna tot op mijn enkels. Ik had gehoopt dat wiskunde mij iets meer zekerheid geboden had. Toen al tekende ik mijn cirkels met een meetlat. Toen mij gevraagd werd naar het waarom, moest ik mij in alle bochten wringen. “De perfecte cirkel bestaat niet” was mijn halfslachtige antwoord. De kring rond mij was echter al verdwenen. Toen keerde ik mij af. Rond mijn lippen tekenden zich de eerste stoppels van de puberteit. Ik verheugde mij dat ik mij nog niet moest scheren om een man te zijn. Er groeide borsthaar over mijn hart, maar ook dit kon niet verbergen dat ik eenzaam was. Ik had de droom nog niet opgegeven omdat ik dacht dat het zo moest. Mijn ouders namen me mee op reis en ik dacht dat dit het enige was. Er zijn er die beweren dat iedereen naakt wordt geboren, dat geen vondeling ooit verloren was. Ze geven het kind een naam en kleden het in met wollige metaforen. Dat ieder verhaal het waard is verteld te worden, ook al verschil ik in niet meer dan een pennentrek van jou.Sommige dichters verlangen zo hard naar hun eigen jeugd dat het een perversie wordt. Ze spreken over baarmoeders en navelstrengen dat het een lieve lust is. Geen mens die nog weet hoe het voelt om nooit geboren te zijn. Ik ben te lang toeschouwer geweest. Toen ik het woord nam, was het laat. De meeste vaste klanten hadden hun stamkroeg al verlaten. Ook ik was al een brok ergernis geworden, iemand die zich graag in zijn zelfbeeld bevestigd zag. Dat gebeurt nu eenmaal als je zelf voortdurend op je uurwerk kijkt terwijl iemand je haar verhaal vertelt. Soms zou ik liever zingen, mijn stroeve gedachten verzacht door een striemende gitaar. Ik ging al te lang a capella door het leven. Terwijl ik er zelf maar wat bij stond, vroeg ik me voortdurend af: “Kijk ik graag in de spiegel of kijkt de spiegel graag naar mij?” “Wordt eigenliefde gebouwd uit de brokstukken van onzekerheid?” Ik verbeeldde me graag dat het café mijn badkamer was. Een spiegel bood geen antwoorden, zijn enige gift was voorspelbaarheid. Ik zou uren naar hetzelfde woord kunnen luisteren. Toch zag ik iedere morgen een andere zelf. Ik vroeg me af of die persoon aan de overkant van de gootsteen wel onder de noemer ‘Ruben’ viel. Ieder uur dag waren we samen. Soms poetsten we samen onze tanden, soms keken we per toeval in hetzelfde autoraam. Ik mistte mezelf als ik hem niet zag. Een beeldhouwer sprak mij aan. “Ik heb de perfecte metafoor voor jou gemaakt.” Ik zei dat ik de gietvorm wou. Zo is ieder verhaal het waard verteld te worden, ook al verschil ik in niet meer dan een pennentrek van jou.  

Robijn Bodijn
0 0

De dag dat mensen boeken schreven

Er was koffie in de perculator. Verzuchting walmde boven de pot. Ik herinnerde mij een schoorsteen boven een winteravond.   We bogen ons over iedere tas. Kinderen over de rand van een put kennen geen gevaar. Onze ogen kruistten de tafel. Vroeger keilden we een steentje over de poel.   Melk droop uit het brik. “Een fontein boven stilstaand water.” Ik heb de prostaat van een oude man.   Het was zomer. Ons voorhoofd druppelde. Ik herinnerde mij hoe hartstocht zichtbaar werd aan een winterraam. Liefde werd breed uitgesmeerd.   Mijn boterham was doorlegen en het bed onbeslapen. Er vormde zich een zoete korst rond mijn levensvragen. Toch had ik nooit een ontbijt gehad.   Het bestek op de kar was uitgeput. Mes en vork pootje baadden in de vaat. Er was koffie in de perculator.   Suiker bood een klontje troost. Ik herinnerde mij je parelmoeren krans over een zwart deken.   Vliegen waren bevlogen. Er was de belofte van confituur. Ik volgde het spoor van de mieren naar een betere wereld.   De zon werd een ongenodigde gast. De bovenlucht weerstond de tranen, ondersteunde de schouders van een dronkelap.   Je had het schuim boven je lippen, de etenresten tussen je tanden. Je had werkelijk alles mee. “Daaronder het begin van een lach.” Lag het aan mijn melksnor of mezelf?   Ik zag je graag bezig in de keuken of onder de mensen, terwijl je worstelde met de krant. Je verknipte graag de werkelijkheid tot ze weer verbeelding werd.   Ook toen al zat er meer in dan gewoon dat. Er was nog niets verkeerds aan de gedachte. Het was nog niet dat alles beter kon, dat ik je wel beter kon omschrijven.   Niemand dacht aan morgen, niemand liet zijn slaap voor een ander, voor wat het was. Een mens had wel grotere zorgen. “Overmorgen en ik ga naar huis.” Niemand die wist of je eigenlijk al moeder was.   Je droeg je haren als een pruik en al wat er nog meer in dat hoofd verborgen zat. Toch lachtte je vriendelijk terug. Er was nog geen verzet, nog geen krimp onder de ogen.   Op een goeiemorgen was het nog wachten tot de zomer, dan sneed je je haren en verwelkomde de zonnestralen. Toen werden de dagen korter.   Ik zag de tijd op het grasveld verstrijken, niemand die er paal of perk aan stelde. Te veel werd hier op zijn beloop gelaten. Verdriet krijst als een kind wanneer men het niet te eten geeft.   Toch waren we hier goed ontvangen, soldaten terug van een verloren strijd. Niemand liet iets merken. Een ogenblik was genoeg.   Sommigen verkochtten zich als antagonisten van het eigen verhaal. Hier werden wonderen verricht. Er waren aan het bed gekluisterde mannen die terug konden staan. Niemand die een wetenschappelijke verklaring voor jouw hypnose had. “Laat het begaan, laat de kleuren in de wereld verder bestaan.”   Toen de zon verduisterde, viel de nacht in herhaling.   Er verdwenen veel dingen op de dag dat mensen boeken schreven. Iedereen begon wel eens graag met een schone lei. Er was koffie in de perculator.

Robijn Bodijn
0 0

Er zijn vast concretere zaken dan poëzie die mijn aandacht verdienen

Ze werd geboren in de gesublimeerde uitdrukking van een kind aan de borst. Haar lippen krulden als een prinsessenboon naar de staak. Zweetdruppels parelden, morgendauw op haar voorhoofd. Twee erwten werden op dit ogenblik ingelegd.   Ooit wierp het haar vruchten af. Ik trok met een aardewerk onder de arm naar het gemeentehuis en noemde het ‘Poëzie’.   Ze nam de duisternis in zich op als een plant die het licht extraheert, sporadisch in een flits van grootmoeders fototoestel verstoord.   Dorst liep over, haar tong dronk de afscheiding van een brandnetelblad. Ze leek in niet meer dan een prinsessenboon op haar vader.   Thuis bleek het al middag te zijn.   Ik deed mijn best om mijn dochter de zorgen te geven die ze verdiende. Ze rustte op de versnipperde resten van een filosofisch handboek en haar wortels drenkten in de inkt.   Natuurlijk mistte het kind een moeder. Het buurmeisje behandelde haar stiefmoederlijk. Vaders goede intenties werden in de kiem gesmoord.   Ze verdroogde bij de vensterbank. Ik borg haar in een sigarendoosje en kroop in bed als een bloem onder wimpers van meeldraden. Straks droegen die de sporen van een diepe slaap.   Poëzie woekerde tussen groeven aan mijn voorhoofd, ontgroeide de geborgenheid van haar staart, werd een onuitroeibaar kruid.   Voor vader werd het harken om stro.   Hij probeerde haar taal bij te brengen. Schrijven werd een even onmogelijke opgave als het neerleggen van de pen. De wind van inspiratie ging liggen als een vermoeid blad op het water.   Poëzie begon te puberen. Enkel grootmoeders foto-album herinnerde aan hoe ik haar zag opgroeien. Hoe het speelde in de voortuin van mijn gedachten. Hoe onschuldig het was, hoe het zelden meer vroeg dan het nodig had.   Het was een braaf kind geweest.   Haar wortels dartelden als een ruimtevaartster over het maanoppervlak. Toen vestigde mijn dochter haar in de grond, een bij die even verpozing nodig had.   Nog voor de morgen was Poëzie volgroeid.   Ik droeg een gedicht op aan haar moeder en keerde de rug naar het papier als naar een witte muur.   Mijn ruggegraat prikte als de tandenstoker die mijn oogleden openhield, ik stond in het leven als een arbeider in de wachtrij.   Er waren vast concretere zaken dan poëzie die mijn aandacht verdienden.   Ik mistte mijn trein omdat ik bleef staren naar een jongedame op het perron. Hoe zij nu in mijn hoofdkussen geborgen lag en de deur zou uitwaaien als een struik haar vrucht afwierp.   Had ik dit alles niet als een streek van mijn pen beschouwd, waren er mogelijk echt kinderen van gekomen.   Het schoolwerk op mijn nachtkast bleef opgevouwen als een moeder die de strijk tot morgen uitstelt.     Ik had dit alles zeer serieus genomen, was het geen streek van mijn pen geweest, was het geen gril van poëzie, een valse nagel aan een vrouwenhand.

Robijn Bodijn
1 0

Als dan zonder vergelijking ...

    Als dan zonder vergelijking hersenkronkels, geen verhaal, pen en rustpunt zweet, arbeid en handen zonder daadkracht zijn   mijn belofte zonder haar bereidwilligheid teer maar zonder breekbaarheid drang, geen onderdrukking onderdrukking zonder overheersing een vinger zonder raakpunt blijft een raakpunt zonder grip en bovenal aanraking zonder tederheid, herkenbaar maar niet langer vertrouwd   wordt ruimte zonder invulling dit gesprek zonder weerga haar uitdrukking zonder enige uitdrukkelijkheid de bevraging van beantwoordbaarheid een probleem maar geen bevraagbaarheid een probleem zonder breder kader   dan is er ruzie zonder tegenstrijd voorwerp, geen onderwerp bewering, geen onduidelijkheid of betrouwbaarheid zonder bewering zelfs verzwijgen zonder leugen meer waarheid zonder daadwerkelijkheid dus afval zonder verbruik en een voorwerp zonder bruikbaarheid en wederom noodzakelijkheid   er treedt vervlakking zonder eentonigheid voldoening zonder bevrediging en verwijzing zonder beduidendheid als een bron zonder vermelding een voorteken zonder leesvermogen blijkt taal zonder spelling leren zonder herinneringsvermogen   dan is er eenzaamheid zonder afzondering vrijheid zonder wil gevangene maar geen onvrijwilligheid aanvaarding, echter geen berusting en teleurstelling zonder verwachting   vervolgens komt vooruitgang zonder vooruitstrevendheid inspanning zonder bedrijvigheid overgave en doelloosheid stuurkracht zonder leiderschap doel, geen aansturing ondergaan maar evenmin tegenstrijd en wederom daadkracht zonder bereidwilligheid nimmer bewerkstelliging zonder moeizaamheid gevaar in moedigheid   er treedt vervreemding zonder vertrouwdheid vermoeiing en slapeloosheid evenwicht zonder veerkracht ware overgave zonder strijd verscheurdheid maar geen razernij onvermijdelijk worden mogelijkheden zonder betrekking   in achteruitgang zonder terugval met schouders zonder draagkracht ijver, geen doorzettingsvermogen blijft streven zonder oogmerk maar ook vooruitzicht zonder achtergrond voorstelling, geen bevestiging dromen zonder verbeeldingskracht worden een leugen zonder bedrog de oorzaak wiens oorsprong achterwege blijft er was een zwaarte, geen aantrekkingskracht en zwaartekracht zonder aantrekking wortels steken boven de ondergrond   in een vlucht zonder vleugels een herstart zonder vertrekpunt als een afdruk zonder toets door een misdaad zonder toedracht wordt straffeloos zonder schuldbewustzijn een schaar zonder snee schaamteloos maar nog zonder vertoning   in een kromme zonder buigzaamheid een rechte zonder lijn snelweg zonder afrit trein zonder vertraging trek ik als een eigenaar zonder eigendom naar een braakland zonder erfgenaam een voorgevoel maar geen vooruitdenkendheid rijkdom zonder hebberigheid, erfenis zonder verdeeldheid en bovenal gierigheid zonder wrok vraatlust zonder overdaad armoezaaier zonder begeerte   zon zonder schittering, maan zonder weerkaatsing mijn koers wordt zonder vaart het roofdier zonder eetlust in een uitgestrektheid zonder landschap is er plaats maar geen beschikbaarheid wordt een vrucht zonder opbrengst een voorgevoel zonder vooruitdenkendheid is een waarzegger zonder helderziendheid ik krijg krampen, braakneigingen van een honger zonder maaltijd de inhoud ontbrak echter de diepgang en mijn taal het spraakvermogen   met een handboek zonder standaard, een maatstaf maar geen ijk word ik bijzonder zonder bijnaam genialiteit, geen inspiratie aspiratie maar geen genialiteit als een diplomaat zonder overleg maar ook een woordvoerder zonder inspraak een werkwoord zonder uitvoerbaarheid en bovenal waardering zonder verdienste wordt een overwinning zonder wedstrijd een oorlog zonder hart een koor dat zonder enige overeenstemming probeert te zingen   het lijkt meer op een schilderwerk zonder indruk maar dan een onweersschicht zonder weerslag maar de duisternis wordt achterdochtig en het wateroppervlak zonder weerspiegeling als een poolreiziger die zich vergrijpt aan het noorderlicht   een doelloze terugkeer naar een deur zonder slot naar een ingang zonder ontvankelijkheid, een afzonderingskamer   ik heb mijn verkreukeld papier en een steen zonder inkerving een schrift zonder gebondenheid vervolgens synoniem zonder synoniem, een vers zonder regel, een gedicht zonder schrijver, een optreden zonder toeschouwers en eer zonder erkenning maar een dichter zonder zelfbewustzijn blijft een strateeg zonder overzicht   goedgelovigheid zonder kinderlijkheid blijft een zoon zonder vader, een speelkoer zonder schoolbel   vergelijk het met een meerman zonder stemkracht die zonder zijn grote liefde, een schip zonder ankerpunt aan een strand met vergeten kinderen, in een rivier zonder oever valt verdriet zonder tranen  

Robijn Bodijn
0 0

Onderweg

Woorden moeten ooit makkelijk zijn geweest. “Eet smakelijk” bij het avondmaal. “Was de koffie straf genoeg?” Als grootvader naar bed ging, was hij te moe om na te denken. Was ik ook toen al een buitenstaander geweest? Het leek erop dat iedereen wist wat hem te doen stond. Toch hield niemand een agenda bij. Als peuter werd de wereld groter. Toch was het onmogelijk erin te verdwalen. Op een of andere manier vonden we steeds de weg naar huis terug. Al was het maar omdat moeder dat wou. We hoefden maar aan tafel te schuiven. Toen moesten we plots met een boterhammendoos naar school. Daar leerden we dat er soortgenoten waren. Het duurde niet lang vooraleer de eerste samenzweringen zich vormden, de eerste verliefde kleuters zich terugtrokken achter een struik. We moesten een vingertekening maken om later iets te bereiken in het leven. Daar waren de eerste voortekens van mijn uitstelgedrag. Ik bleef echter ijverig werken aan mijn verhaal, in die mate dat mijn persoonlijke vrienden meer en meer op stripfiguren leken. Ieder jaar kon ik met een perfect rapport naar huis, ik droeg het onder de arm als een volwaardig zakenman. Ik was behoorlijk tevreden, ook al hebben ouders de hardnekkige neiging daar een opmerking bij te maken. Gelukkig was er daar de vakantie. Ik trok me terug in grootmoeders schorten en de boerderij. Ik verbeeldde me graag dat er niets anders was dan dit, regenwormen verzamelen in een glazen bokaal. Toch rinkelde de bel opnieuw, ik trof mezelf achter een schoolbank met het uitzicht van een strenge leraar die me wederom de les moest wijzen. Ik staarde liever uit het raam, maar de tijd van dromen was voorbij. Ik had mijn tegel op de binnenkoer vooraleer ik me in de toiletten terugtrok. Het perfect rapport leek meer en meer op het verkreukeld papier dat mijn cursus was. Uiteindelijk brak ik als een potlood dat al te vaak met de grond in aanraking kwam. Sinds die dag werd er niets meer van mij gehoord. Op een nietsvermoedende dag verscheen ik weer op het theater. Het leek wel of ik veranderd was in de persoon die ik destijds wilde zijn. Vanbinnen was ik echter nog steeds een kwetsbaar stukje mens. Ik maakte een vingertekening van mezelf. Uiteindelijk ging het ook voorbij. Toen werd de wereld voor de tweede keer groter. Ik leerde wederom dat er soortgenoten waren, buitenstaanders als mezelf. Mijn nieuwsgierigheid werd groot. Mijn boeken verloerderden langzaam op hun plank. Bovenal leerde ik veel over mezelf, ook al kwam ik ook daaromtrend evenmin met een perfect rapport naar huis. Ik was behoorlijk tevreden. Later kwam het bewustzijn dat studies tot iets veel groters leiden. Ik trok me meermaals terug in bed om me te beschermen voor de samenleving. Ook toen dacht ik al te vaak terug aan mijn kindertijd. Ik verdronk mijn laatste leerkrediet bij voorkeur in de kroeg. De laatste keer dat ik er de zon zag ondergaan leek voor de anderen op een normale dag. Naarmate de dagen vorderden durfde ik meer en meer te dromen, maar eindelijk was ik tevreden gewoon mezelf te kunnen zijn. Niemand had durven voorspellen dat het potlood voor een derde keer zou breken. Toch werd ik de volgende dag wakker in een ziekenhuisbed. Er waren verpleegsters die betaald werden om vriendelijk te zijn.   Toen de deur voor de zoveelste keer openging, deed ik nog weinig inspanning op te kijken. In de schemer zag ik echter een vertrouwd gezicht uit het verleden. Daar zat ik dan tegenover mijn vader, woorden waren nooit moeilijker geweest. We staarden uit het raam maar waren vertrouwd met het zwijgen. Na jaren van uitstelgedrag werd het dan eens tijd voor een gesprek. Sinds kort ben ik terug onderweg.

Robijn Bodijn
0 0

Als deze traan een parel was

Straatmuzikant is nooit in Stockholm geweest. Hij worstelt thuis als vingers over een stroeve gitaar. Een traan verleent haar vorm aan iets grilligs als de pijn.   Ik heb nog nooit een instrument bespeeld, maar toch strijk ik door je haren, mijn Scandinavisch ziektebeeld. Je bent zelfs niet blond. Jouw ogen verschijnen uit het duister, twee toortsen sporend naar een schakelaar. Morgenvroeg word ik verliefd op jouw spiegelbeeld van mij.   Is de wereld een paleis? Zullen koningen hun koninginnen het dan vergunnen vrij te zijn? Een wereld zonder oorlog is als de belofte naakt te slapen zonder de liefde te bedrijven. Ik vergat hoe het was om niet mezelf te zijn. Wat betreft mezelf, ben ik behoorlijk empathisch.   Goed en kwaad zijn tot elkaar veroordeeld. Als twee druppels water slapen ze naakt en bedrijven ze de liefde. Ze stromen over in elkaar.   Als deze traan een parel is, dan kan ik hem voor het grootste geld verkopen, denkt de straatmuzikant.   “Allerliefste, dankbaarste traantje ... je verleent vorm aan iets grilligs als de pijn, maar je voldoening is even tijdelijk als het genot dat je benijdt.”   Op zijn beurt verleent de zwaartekracht vorm aan de traan. De zee trekt zich op haar grootst terug. Verdriet stroomt naar haar oorsprong terug. Dan verdwijnt de traan in een afvoerputje. Een parel weerkaatst het licht als een vervelend splintertje in het oog van de zon. Op haar beurt fronst zij, de zee, haar golven.   Ik verbeeld me graag dat als je vingers een driehoek zouden vormen een zonnestraal de verbinding zou zijn, maar niet alle figuren laten hun oppervlakte meten zonder als een sinaasappel te worden uitgeperst. Mijn hart is dermate groot voor jou, dat mijn ogen zich sluiten als ik je kus. Daar gaat geen zonsondergang boven. Toch por ik nog iedere dag in je oog in de hoop een traan te oogsten.   Er is een schrijver. Iedere dag legt hij een beetje voorstellingsvermogen opzij. Hij verzamelt alles wat hij zag vanuit zijn vensterraam in zijn dagboek. Op een dag bedenkt hij de grootste metafoor allertijden en sterft een gelukkig man. Iedereen die hem leest ziet de wereld vanuit zijn perspectief.   Met de brokken van zijn verdriet, bouw ik een marmeren standbeeld in je achtertuin.

Robijn Bodijn
0 0

AANVRAAG TOT LETTERBOUWKUNDIGE VERGUNNING (Verzameld werk zonder veel leestekens)

    ik schrijf met mijn voeten schraap met mijn tenen tussen de groeven van de straat mijn onderbenen spartelen aan mijn knieën klontert het beton tot mijn enkels in de mortel iedere figuur die ik voortbracht was vrij toen werd het een versteende afdruk van mijn kindertijd   alsof je gisteren nog de postbode betrapte masturberen in de struiken je herinnerde je nog helder de figuren uit je kindertijd   er was het plakbord   MEDE MOGELIJK GEMAAKT DOOR HAAT EN AFGUNST VLIEGEN WIE VLIEGEN KAN JE HEBT MIJN PASPOP ONTHOOFD IK HANG IN DE LIANEN VAN DIT APENLAND DE POSTBODE MASTURBEERDE IN DE STRUIKEN WIE HEEFT OOIT DE LEESTEKENS HET ZWIJGEN OPGELEGD?   er was een poëet   de optimist klopte, eens zijn glas halfleeg, aan bij de pessimist fluit op een fles!   Inleiding tot Ruben “Lodewijk de Oneindige” Van de Woestyne Variaties op Universiteit Universiteit-stamkroeg stamkroeg-stamkroeg-Universiteit stamkroeg-stamkroeg-stamkroeg onderwijsactiviteit-stamkroeg-stamkroeg ouderlijk huis-stamkroeg-stamkroeg stamkroeg-stamkroeg-Universiteit Variaties op onderwijsactiviteit Geen onderwijsactiviteit Variaties op ouderlijk huis Grootouderlijk huis   hij verzamelde zijn werk tot hij de moed vond een uitgever aan te spreken een oordeel van een beoordelaar oordeelt over de uitvoering van alle onderdelen van de vaardigheid gegeven door de beschrijving van de vaardigheid door ze af te meten aan haar oordeel   Ruben Van de Woestyne (1993) uit Waregem begint met dichten op de leeftijd van 12 als een ultieme poging om macht uit te oefenen op de taal die hij zo liefheeft Al snel komt hij tot de vaststelling dat dichten zelf een even twijfelachtige bezigheid is In het zoeken van bevestiging klimt hij na een tijd het podium op, een neiging die zich al snel ontwikkelt tot een nood   in een spiegelhuis dichtte hij zijn ode aan de meetkunde   er was de nachtelijke wereld   universum, zoals alles weegt en alles valt … dansen is als meerijden op de achterbank voorovervallen met een gordel aan ik dans in de mortel mijn armen wapperen als een drenkeling op een stuurloze vloertegel   het lijkt wel of iedere feestvierder een hoofdtelefoon draagt melodie vlecht een touw om de essentie van mijn lied daar werpt een muze mij een laatste reddingsboei een ongestemde piano drijft verder over zee harmonie heeft een ontologische functie, een wiskundige en een epistemologische speel nog eens van bij het begin de kindse onschuld op je speelgoedinstrument einde weekeinde-poëzie “de dag is de thema-avond van de nacht” citaat van een monotone monoloog “open aanhalingstekens op maandag … sluit aanhalingstekens op zondag.” volwassen-zijn eindigt wanneer het begint niet in de selectie opgenomen: voetbalpoëzie   er was de vergeten wielrenner   op een onbepaalde dag na datum was ik nog steeds in de wedstrijd idolen zijn talenten, gevallen en ooit uit de ziekenwagen op te staan liggen ze nog steeds in het dal van hun laatste beklimming elegantie is de schoonheid van hoogmoed   er was de wielervrouw   dappere jongen ik heb genoeg van ruiken aan je overjas omdat je er niet meer bent “slaapzacht” tot aan het ontbijt wanneer we opnieuw mensen zijn   je gelooft in de dood en God is een idioot   er was de leegte in je bed   dans in luchtledigheid universum, naakt en wit leeg maar niet oneindig niet eindig evenmin ik dek je in mijn overjas, dan ben je niet zo blind   er was de gedachte aan haar   je bent mij zonder de wereld ik zag je naam op de afwezigheidslijst slaap tegen de ochtend aan in dagen die tijd ontgaan   ik houd van beloften van mensen die onophoudelijk afscheid nemen omdat ze willen dat je blijft   er was de zoveelste metafoor om een schrijffout te verbloemen en je mag je zusje niet plagen want zij is te jong om te beginnen “mag ik nog een snoepje?” “maak je niet dik!” omdat wij van je houden, en je papa ook … liegen is zwartrijden op de trein als je wordt betrapt betaal je voor iedereen die ooit gelogen heeft de conducteur kwam echter nooit   ik lijd aan feminisme liefde is als een hoofdtelefoon het doet pas echt goed als het wat pijn doet emancipatie hangt los om mijn heupen je legt je lip te slapen in de vouwen van je tanden kleed me in je avondzoen   er was een eenzaam man   een eenzaam man heeft niets aan poëzie maar denk je dat poëzie iets kan met een eenzaam man? men wordt volwassen als men je ontwijkt, niet meer aankijkt   en er waren de leestekens   wie heeft ooit de leestekens het zwijgen opgelegd?     “Dag.” (een open inleiding tot opening van een inleiding tot inleidende opening)* “Hoe gaat het?” (een opening van de inleiding tot een inleidende opening van) “Goed, en met jou?” (een inleiding tot de inleidende opening van)   Zwijgen   Ik laat mijn onachtzaamheid achteloos vallen.   *Mensen vinden het soms noodzakelijk om bij het openen van een gesprek nog eens expliciet te vermelden dat het het openen van een gesprek betreft, dus om het gesprek te openen, een opmerking over het openen van een gesprek, zoals de opmerking dat mensen het soms noodzakelijk vinden om bij het openen van een gesprek nog eens expliciet te vermelden dat het het openen van een gesprek betreft

Robijn Bodijn
0 0

Toiletbezoek

Roosje klikte de deur van het toilet achter zich dicht. Ze neuriede een kinderrijmpje en ijsbeerde wat in het rond. Ze kreeg een warm gevoel en nam plaats op het potje. Hier kon ze onopgemerkt zichzelf zijn. Louise had ze naast zich neergelegd. Het popje lag er roerloos te wachten. Het kind neuriede luider. Hier was toch niemand die haar kon horen, hoopte ze. Dat verlangen verleidde haar nog wat te blijven. Met een diepe zucht plofte ze zich neer op de koude vloer. "Alles goed, Louise?" "We moeten nog even geduld oefenen." Roosje dagdroomde verder weg. Plots rinkelde er een belletje. Driftig stond ze op en griste Louise met zich mee. Ze greep de deurklink bij de lurven en wriemelde eraan. Hier klopte iets niet. Het kind wrong zich in honderden bochten maar de klink werkte niet mee. Ze durfde echter niet te schreeuwen. "We proberen het nog één keer." Vergeefs. Roosje trok zo hard aan de deurklink dat ze die in haar hand terugvond. Met een diepte zucht plofte ze zich neer op de koude vloer. "Huil maar niet, Louise." "Laat jezelf niet hangen." "We kunnen er maar het beste van maken." Ze legde de deurklink naast zich neer en trok het popje dichter bij haar. "Hier zijn we best veilig, geloof me." In haar achterzak vond het kind een zakdoekje. Die gaf ze dan ook aan Louise. "Tel eens tot tien." Enkele tellen later opende Louise al de ogen. Roosje moest hardop lachen. Haar vriendinnetje had dan ook weinig geduld. "Zal ik je een geheim vertellen?" vroeg ze fluisterend aan haar vertrouwelinge. "Ik ben verliefd." Louise staarde verdwaasd naar de deur. Het verwonderde haar schijnbaar niet. "Wist je het al?" Natuurlijk, dacht het kind. Ze trok haar nog wat dichter tegen zich aan. Dit toilet leek wel de veiligste plaats ter wereld. Plots hoorden ze een geritsel tussen toiletpapier. Nieuwsgierig keken de beide die richting uit. Vreemd, dachten ze en gingen verder met hun gesprek. Het toilet verduisterde maar een warme gloed trok over hen heen. Dan zagen ze het. "Kijk, Louise!" Een klein bevreemdend wezen nam plaats op diens vingertop. Het leek gretig deel uit te willen maken van dit gesprek. Het trok, schijnbaar vastberaden, verder over de hand en later de arm van Roosje. Het bleef rusten op diens schouder. Achterover leunend kroop het in haar oorschelp en fluisterde. Roosje en Louise konden niet anders dan hardop te lachen. Wat een prettige pauze. Dan schoot er plots een gedachte door Roosjes hoofd. "Gemene pestkoppen." schrikte ze terug. Het wezentje leek verdwenen. "Het is niet erg, Louise." bemoederde ze haar. Er weerklonk geschreeuw vanuit de verte. "Roosje?" "ROOSJE?" Het kind kroop dieper weg in het toilet. Tot ze moeders stem herkende. "Roosje ..." "Ik ben hier." Ze slaakte een gilletje "Mama!" en nam Louise onder de arm. Moeder sleurde het kind mee naar de wagen. Ze keken nog één keer om naar het toilet.

Robijn Bodijn
0 0

Kater (de kracht van de wenkbrauw)

mijn hersenstam verkaterd pretpark verdraaide molen, dat dronken kind met suikerspin   rolschaatsen schoorvoetend achteruit   vertel me terug naar je dromen keer me wederom, dit porseleinen mensje in een poppenhuis   jouw knutselwerk je prutste maar wat modderde aan verdronken fonteintje slurpende soep   ik was één der verzamelschelpen je deed er nog een schepje bovenop   driemaster op afstandsbediening ankert   in de branding schittert het licht parelmoeren bedrading van verdwaasde zonnevlokken er gaat niets boven je ogen die olievelden in het hart van een orkaan   ik word een zeiler van je fronzen wenkbrauwen als zeewierstruikjes borstelen dit geboetseerde schuitje dat botervlootje waar mens zich in kruimeldeeg verzandt   er zijn overlevenden op dit schuurpapieren land ze drijven in het maagzuur slikken zich een verschot in de ruggengraat dansende aderen drank tot het hen het strot verknijpt   tenen worden straten een verzicht dat voor haardvuur neervlijt   er schokt iets in mijn handen het is kleur en het krijst het sterft en vergrijst donst van schimmelkoorts   overal slingeren slierten droom als lamsvlees krult het om een verroeste werkelijkheid ik wil terugwijzen maar mijn gevingerte verstrikt tot frituursnack   er woedt wat zoals lever in brijzels uitgekraterd braakt over mijn verse spijkerbroek   je wenkbrauwen teren welig op deze hersenstam   ik had er geen zier om gegeven tot je vergat hoe prachtig het wel was

Robijn Bodijn
0 0

Van God en de bergen

De stad sprak tot de bovenlucht. Ze vulden elkaar aan. De wereld was één zoals de stad zich in het water weerspiegeld zag. Er waren geen vragen meer. Toch bleef de burger fronzen.   Onderweg kwam ik de wereld tegen. Ik vroeg "Waar ga je naartoe?", maar hij draaide gewoon lekker rondjes om zijn eigen as. Hij was behoorlijk wispelturig. Daarin benijdde hij God, maar God was dermate groot dat hij nooit in de struiken met het buurmeisje kon spelen.   De verwondering van God werd er niet kleiner op. De raadsels die hij overal ter wereld verborgen had, trokken weg als een wolkenpartij over het wateroppervlak. Zelfs het kleinste kind kon Hem nu ontdekken onder een breekbaar bladerdek. Alsof je snel even met de natte zakdoek, de hemel wegveegt.   Hij werd eerst jaloers op de bergen. Hoeveel ze wogen en hoe hoog ze echter klommen. Ze waren er als trappen naar Hem neergelegd om de overmoedigen te ontmoedigen. God zag echter al snel dat zij die er toch in slaagden hun bergtop te bereiken, vooral op de wereld neerkeken.   Vreemd toch, voor iets waar je al zo lang naar uitgekeken hebt. Maar God was alwijs en hij durfde zich niet langer verwonderen. Dus mat hij zichzelf een stoere houding aan en bekeek zichzelf in het wateroppervlak. Wat hij zag, deed hem niet vreemd voor. Hij zag namelijk het grote niets.   Toen gebeurde er echter iets zeer bijzonders, het kleinste kind tikte hem op de schouder en begon te huilen. Wat nu weer, dacht de goede Huisvader bij zichzelf. Het kind stond terug op en keek argwanend naar God. "Wie bent U, mijnheer? U bent zo lelijk." Dat was het mooiste compliment dat God in jaren had gehoord. Ben ik dan toch mens geworden? Hij kon een glimlach nauwelijks onderdrukken. God en het kind wandelden nog even verder en deelden elkaars grootste geheimen als twee puberende buurmeisjes.   Toen Hij terug aankwam bij de hemel schrok hij toch wel een beetje. Enkele onvermoeibare stervelingen waren zijn Huis binnengedrongen en vochten om de Troon. Dat bladgouden rotding, dacht God bij zichzelf. Dat gebruik ik nauwelijks nog.   God bood de stervelingen iets te drinken aan. De eerste bestelde een pintje en de ander een vruchtensap, van het ergste soort. De engel achter de toog keek verbaasd naar God. Sinds wanneer nodigde hij stervelingen uit in zijn persoonlijke vertrekken? Mogelijk wordt God toch wat te oud voor dit werk, dacht ze bij zichzelf.   Toen de laatste sterveling zijn vruchtensapje verorberde, keek hij al even verbaasd naar God. "Waarom frons je, burger?" vroeg God op zijn beurt. "Dit smaakt naar het niets", opperde de burger. "Het grote Niets?" vroeg God. Ze bulderlachten nog wat.   God was echter met zijn gedachten elders. Toch was Hij gelukkig de stervelingen beter te leren kennen. Wat zou hij anders weer met zijn dag moeten aanvangen, nu hij niet meer in de wereld mocht ingrijpen sinds de scheiding van Kerk en Staat. Hij had alle Bijbels op het toilet al uitgelezen.   Soms dacht hij nog terug aan het kleinste kind. Hij wou haar graag op de wereld bezoeken, maar was bang dat hij een al te almachtige indruk na zou laten. Wat moesten haar ouders wel niet denken? Daarenboven moest Hij zich ook dringend klaarmaken voor het bezoek van zijn zoon Jezus. Hij droeg de engelen op het Huis proper te maken.   De stem van het kleinste kind schrok even terug. Alle kinderen om haar heen waren vol aandacht voor haar verhaal. "Is God dan ook maar een mens?", durfde toch iemand te vragen.   Ze twijfelde. "Nee, hij is veel vriendelijker." De groep knikte goedkeurend. Kan ik later ook een God worden, opperde de stoerste jongen van de klas. Het kleinste kind had hem graag als vriendje gehad. Voor mijn part wel, voegde ze er snel aan toe. De bel rinkelde zoals nooit tevoren. In de klas dacht het kleinste kind terug aan haar verhaal, God en de stoerste jongen.   Uiteindelijk kwam ze tot het besluit dat haar verhaal het enige was wat ze had.

Robijn Bodijn
0 0

Is er daar nog iemand in leven? Titanic, een essay over de Atlantische Oceaan. Romantiek in een postmoderne wereld.

http://www.imdb.com/title/tt0120338/quotes https://plato.stanford.edu/entries/postmodernism/#6   Toen Titanic in 1912, op een bitterkoude lentenacht, voor het eerst zijn neus letterlijk aan het venster stak, moet dit voor de aanwezige toeschouwers redelijk postmodernistisch hebben geleken (rekening houdend met de beperkingen van mijn menselijk voorstellingsvermogen). Hun schip van (westerse) dromen, eerst naar de bovenlucht en vervolgens (toen het soortelijk gewicht van diezelfde dromen ondraagbaar werd) ten gronde gericht. Het merendeel van diezelfde toeschouwers dreven echter, in hun redelijk comfortabele reddingsbootjes, vanzelf terug naar hun modernistische welvaartssamenleving. Meer nog, de morgen zag er voor hen nog veel Amerikaanser en rooskleuriger uit. Voor de meer betrokken acteurs moet het werkelijk een andere ervaring zijn geweest. Of zagen zij de werkelijkheid dermate onder hun voeten weggetrokken dat het ook voor hun een droom werd? Een droom waaruit sommigen nooit meer wakker zouden worden? Of was de dood in dit geval een beter vooruitzicht dan het proberen overleven? Waarom bleven zovelen onder hen dan vergeefs spartelen? Hadden ze ooit anders gedaan? Was de ervaring voor de toeschouwers dan wel zo geruststellend? Zagen ook zij hun vertrouwde wereldbeeld niet even als een warme sprei van hun tengere ledematen weggetrokken? Of was het net een aanvaring met een veel grotere maar ontkenbare waarheid? Een waarheid die ze net iets minder makkelijk zouden wegknipperen? Of een bevestiging van hun overmacht? Als zelfs een ijsberg hun niet kon overwinnen? Waarom was de Titaan dan net gezonken? En waarom zonk hij net in 1997 opnieuw?  Welke dromen werden toen als een ijsschots verbrijzeld? Welke dromen werden toen net weer in volle glorie onthaald als het schip zelf meer dan tachtig jaar geleden? Waarom duikt de mens naar zijn verleden? Omdat het hem blijft vervelen of omdat hij nood heeft aan een herwaardering van zijn leven? We onderzoeken het aan de hand van quotes uit de betreffende blockbuster. Robert Hitchins: You don't understand. If we go back, they'll swamp the boat, they'll pull us right down, I'm tellin' you! Molly Brown: Knock it off. You're scaring me. C'mon girls! Grab an oar, let's go! Robert Hitchins: Are you out of your mind? We're in the middle of the North Atlantic! Now do you people want to live, or do you want to die? Molly Brown: I don't understand a one of you. What's the matter with ya? It's your men out there! There's plenty o' room for more! Robert Hitchins: And there'll be one less on this boat, if you don't shut that hole in your face! Kierkegaard beschrijft de moderne samenleving als een netwerk van sociale relaties waarin individuen worden geordend in een abstracte verschijning, “het publiek”. Individuen echter, oppert Kierkegaard, kunnen nooit worden verenigd in een werkelijke gebeurtenis. In die zin is de samenleving een verwerkelijking van abstract denken geworden, verenigd door een kunstmatig medium sprekend voor iedereen en niemand. We kunnen het ons enkel proberen voor te stellen. Vele jaren later wijst Titanic ons nog steeds op de beperkingen van dat vermogen. Evenveel jaren later, verscheurt het ons echter niet meer. Titanic was een vreselijke gebeurtenis. Zelfs over de onrechtvaardigheid ervan, lijken rijk en arm het vandaag eens. We zijn het kunstmatig medium geworden. Maar wat als er vandaag wederom een Titanic zinkt? Zal hij dan nog tot iemand spreken? Vermoedelijk wel. Hij zal tot ons spreken als in een reddingsbootje op meer dan veilige afstand, als een blockbuster in de bioscoop. De beperking van ons voorstellingsvermogen is dat we onze beperkingen niet kunnen voorstellen. Onze geest is een Europa geworden, schijnbaar onbegrensd, en later een oceaan, een werkelijk niemandsland dat evenzeer wordt onderverdeeld. Voor Marx, anderzijds, verliezen voorwerpen hun werkelijke waarde door hun ruilwaarde. Dit is de ontwerkelijking. Een voorwerp vergaat het dus als zout water: het heeft geen werkelijke waarde, maar wordt “geabsorbeerd in het netwerk van sociale relaties”. Hierdoor “verliest het zijn identiteit”, ‘verwatert’ het. Nietzsche merkt op dat het onderscheid tussen de werkelijke en de schijnbare wereld verloren is.  Enkel Dionysus, de God van de huivering, kan de vervreemding van de natuur doorbreken. Wetenschap is gegrond in bevroren Apolloniaanse voorstellingen. Maar wat als de natuur op zich evenzeer een ijsberg wordt? De Titanic was, meer dan een aanvaring tussen de voorstellingen van de geest en de schijnbaar huiveringwekkende natuur, de innerlijke verscheuring van ons schip van dromen. Niet zozeer onze voorstellingen waren bevroren, maar de natuur waarin we ons verkeerden. Dat maakte de natuur die nacht dermate huiveringwekkend. Ze wees ons, in haar wetmatigheid, op de beperkingen van ons eigen redeneer- en voorstellingsvermogen. De natuur had, ook vele jaren na de geboorte van de mens, nog steeds gelijk. Het schip van dromen stierf een schreeuwachtige dood op de Atlantische Oceaan. Of was het toch een menselijke fout? Wat huiveringwekkender is, is dat de natuur die nacht zo min nodig had om zo genadeloos te straffen. Dat is exact het menselijk leven, met een dermate kleine foutenmarge. Sommigen echter, lijken hieraan keer op keer te ontkomen, “en het zijn niet toevallig steeds dezelfde”. Dat is wat rijkdom oplevert, de beperking van de foutenmarge. Maar in elk geval worden er anderen voor geslachtofferd. Mensen(!) spartelden tot ter dood omdat anderen meer op hun dek zouden kunnen paraderen. De waarheid van Titanic bleef dat op het schip van dromen, een minderheid kan overleven. Old Rose: It was the ship of dreams to everyone else. To me it was a slave ship, taking me back to America in chains. Outwardly, I was everything a well brought up girl should be. Inside, I was screaming. Ook arbeiders ervaren deze ontwerkelijking, oppert Marx, omdat de voorwerpen product zijn van hun arbeid. Ze verliezen hun natuur in het verwerkelijken van zichzelf. Dit is het moment om Titanic even achter ons te laten en niet vergeefs het verleden proberen op te duiken. Arbeiders en moderne slaven zagen inderdaad ergens ver weg van huis hun werk en/of leven verloren gaan, terwijl het merendeel hun moderne meesters deze slag zou overleven. Maar was het echter nooit hun werk geweest? Ik ben overtuigd van wel. Laten we van Titanic vooral géén reddingsbootje maken! Wederom worden we gewezen op onze beperkingen (maar evenzeer op de mogelijkheden hiervan). De moderne arbeider is meer dan een timmerman. Hij is een prachtvoorbeeld van gezamenlijke kracht. Titanic werd niet gebouwd door een verzameling van moderne slaven, maar door één vakman, de moderne arbeider. Zelfs de grootste systeemdenkers maakten de menselijke fout de samenleving als een Antiek profeet met een ijsberg te bedreigen en ze vervolgens achteruit te laten keren. Daarom is dit meer dan verkoperspraat, in een samenleving waar ruilwaarde heerst, speelt de arme evenzeer poker, maar worden winnen en/ of verliezen een even tastbaar iets. Onderwerp je overtuigingen dus nooit aan hun ruilwaarde voor (on)rechtvaardigheid. (On)rechtvaardigheid wordt, zoals de ruilwaarde, door de rijken bepaald. Zoek evenmin naar een vertrouwd wereldbeeld op bitterkoude lentenacht. Verlaat deze wereld als een vuurpijl die die lucht inschiet. Als je schip van dromen zinkt en ieder reddingsbootje je achterlaat, spartel dan niet verder in zelfmedelijden, maar bestijg het zinkende schip en spring op het juiste moment. Schenk je laatste hoop aan de vrouw van je dromen en sterf. Maak van een willekeurig moment dat van jou. Overheers de wetmatigheid van de natuur door je overlevingsdrang op een stuk hout aan te bieden. Wat ben je echter met een Jezusmoraal als je letterlijk crepeert van de koude? Jezus had toch het vooruitzicht op een net iets warmere hemel? Op dergelijk moment is die moraal het enige wat je hebt. En wat dan gezegd van Rose? Waarom moest die rijke trut dan wel overleven? Rose: I love you, Jack. Jack: Don't you do that, don't say your good-byes. Not yet, do you understand me? Rose: I'm so cold. Jack: Listen, Rose. You're gonna get out of here, you're gonna go on and you're gonna make lots of babies, and you're gonna watch them grow. You're gonna die an old... an old lady warm in her bed, not here, not this night. Not like this, do you understand me? Rose: I can't feel my body. Jack: Winning that ticket, Rose, was the best thing that ever happened to me... it brought me to you. And I'm thankful for that, Rose. I'm thankful. You must do me this honor. Promise me you'll survive. That you won't give up, no matter what happens, no matter how hopeless. Promise me now, Rose, and never let go of that promise. Rose: I promise. Jack: Never let go. Rose: I'll never let go, Jack. I'll never let go. I promise. Jack stierf een gelukkig man. Al was het maar bij één iemand (en dan nog wel de vrouw van zijn dromen) en die verduivelde Molly Brown gebleven, heeft zijn onrechtvaardigheid iemand overtuiging gegeven. Niet in ruilwaarde, Rose zou hem en zijn dood heugen voor haar nog lange leven, maar wel evenveel als Rose hemzelf teruggaf. Zij had hem namelijk hoop gegeven, toen hij haar voor het eerst zag, en nu meer dan ooit. Dat was op zich al een revolutie voor een anders zo vertrouwd wereldbeeld. Toen Titanic in 1997 wederom zonk, gebeurde dit om dezelfde reden. Er was nood aan hoop. Deze keer, echter, was de wereld niet verscheurd, maar verbrijzeld. Waarom kon de liefde, en ik spreek het woord voor de eerste keer uit, dit lijmen? Voelde de mens zich in 1997 zo verloren dat hij de liefde als laatste hoop zag? Ik ben overtuigd van wel, en nog steeds. Gelukkig dreigt niet voor iedereen de verdrinkingsdood. Vandaag worden de ijsbergen echter gesmolten. Wat gebeurd er met de wereld als hij verandert in zout water, in niemandsland? Zal dan er dan nog een held zijn die zijn overlevingskansen slachtoffert voor een andermans welvaart? Het gebeurt dagelijks. Het gebeurt evenzeer dat mensen hier over de rand van haar westerse schip van dromen willen klimmen. Rose wou zich slachtofferen voor de hypocrisie. Jack wou haar belonen voor haar overmoed. Als toeschouwer van Titanic voel ik mij minder eenzaam als drenkeling in deze oceaan van mensen. Niet iedereen staat echter met zijn rug tegen de muur zoals Rose. Niet iedereen heeft de hand van Jack nodig om terug over de rand te klimmen. Evenmin staat voor iedereen van ons een reddingsbootje klaar. Het zal eerder een cruiseschip zijn. Waarom voelen we ons dan drenkeling? Omdat we het verleden opduiken tot we niet meer boven water zullen komen. Liefde is werkelijk, daar moet geen schip voor zinken.

Robijn Bodijn
0 0

Ik wou dat je hier was (dromen zonder perspectief)

Er was een pubermeisje zonder hond. Ze was voorbestemd om later niet kinderloos te worden en droeg haar borstjes op de hand alsof het poppen waren. Soms bad ze tot de heer haar Vader om groter speelgoed maar kreeg ze een wagentje om haar zusjes in rond te rijden. Ze werd echter zo gekoesterd. Door kroegen verduisterde oudere mannen staarden haar aan en dichters zoals mij. Ze was nooit der weeskinderen geweest. Tot vandaag had ze zelfs nog nooit van een moeder gehoord.   Ze had vooral haar eigen dromen, van de naarste soort. Op een dagje ouder stond er een woordenaar aan haar bed. Hij droeg haar stomdronken naar Dromenland en een bloemlezing uit balkonpoëzie voor. Ze weigerde het aanbod niet maar toen hij over verloren liefdes sprak weerklonk dit als een moeder die een vrijpartij verstoorde. De moeder was echter even verbaasd als henzelf. Maar goed, gezien vooral moeders de macht hebben de wereld te veranderen door deuren te openen.   Dan kwam een vader op het podium. Hij speelde zijn stomdronken zelf. Hun wereld stortte in als een overschrijving met een doktershandschrift maar zelfs dokters kunnen enkel aanraden alvorens ze psychiater worden. “Wat studeer jij?” vroeg hij, schijnbaar niet vanuit de hoogte. Ik probeerde vanonder de indruk weg te kruipen. Het kinderwagentje rolde schijnbaar ongewild van het podium. “Ik werk aan mezelf.”   Er was ook een jongetje zonder dromen. Het hield zijn vader bij de hand als een speelgoedmensje dat vergeefs achter zijn speelgoedtreintje aanrent. Desondanks verwachtte het wijsgeer te worden. Soms sloeg het met zijn vuistje op een tafel in zijn bovenkamertje. Er gebeurde echter niets.   Verder waren er nog de ouderen op de bus. Je hoorde er vanzelfsprekend niets meer van. Ze waren voortdurend aan het wachten, zelfs als ze op tijd op hun werk waren. Tot uiteindelijk Niemand sprak. Het waren zijn zo goed als laatste woorden, maar zoals het hoorde weerklonken ze voor de eerste keer. Ze waren zo goed dat hij ze wel moest uitstellen tot ze uiteindelijk te laat waren. Hij staarde zo beschuldigend naar zijn publiek tot ze wel moesten vaststellen dat zij het waren die te lang hadden gewacht.   Uiteindelijk strompelde hij stomdronken van het podium zoals zijn vader hem destijds verhaaltjes voorlas. Zo was er het verhaaltje van een stomdronken vader die destijds verhaaltjes voorlas. Hij kreeg het van een pubermeisje dat zo onzeker was dat ze zelfs haar driften had verzekerd. Ik geloofde haar zolang het duurde en het duurde even lang als de zo goed als laatste woorden van een man die nog niet op sterven lag.   Maar goed dat er evenzeer geluisterd werd. Er waren wel mannen zonder woorden achteraf of dichters met honden. Er was wel een goedgelovige die niet in iedereen heer de Vader of moeder de Genadige zag. Er was wel een weeskind dat het beter kon vertellen, zo goed dat je zo goed als geloofde dat het een weeskind was.   Wat betreft de dichter, er zou zich wel iemand voor zijn verhaaltje in de handen wrijven als verkleumde handen voor een gierige spaarlamp. Zoals ook eender welke verkleumde hand hem na zijn optreden zou verzoeken tot het benadrukken van elkanders zelfbeeld, groot uitgevallen als zijn mantel, maar minder ongewild.   Er zou wel iemand zijn die wou dat ik hier was en niet ginder, was het nu een moeder die ’s avonds vergeefs uit haar venster staarde of een overjaars pubermeisje dat haar werk niet alleen kreeg geklaard.   Uiteindelijk moest ik aanbellen. In de deuropening ontwaarde ik een moederfiguur. Het was echter mijn moeder. Ik was een jongetje met een kater. Ik kroop naar mijn bovenkamer als een ratje door de muur. Ginder sloeg ik met mijn hoofdje op een tafel als een jongensvuistje.

Robijn Bodijn
6 0

Stomdronken tromgeroffel en meer alledaagse strijkers

Strijkers in de poetshulpwinkel verheffen het dagelijks leven tot kunst. Er ritselt iets door de blaren van de overheidsambtenaar. Zal het vanavond gebeuren? “De vervolmaking van de wereld?” vraagt iemand nog. Maar het is al veel te laat. Er ritselt iets door de blaren van de overheidsambtenaar. In elke koffiefilter groeit nu een boompje. Een druivelaar scheert rakelings mijn kamervenster. In de stad hangt nog steeds die vervelende geur waarvan van niemand ooit de oorsprong heeft gekend. Vandaag staat het minder dan ooit in de sterren geschreven. Maar een houtwurm woekert in mijn dagelijkse krant. Enkelingen storten zich al ter aarde vanop zekere hoogte. Hun beenafstand meer bepaald. Maar goed, ik heb ze nooit anders gekend, de voortrekkers. Ze sleuren ons mee aan hun touw van eetbare zijde. Hoe meer volgers op het Facebookschip, hoe meer drenkelingen. In de klas durft een dapper maar overijverig jongetje een vraag te opperen. “Meester, wat gebeurt hier?” een schriel vingertje daadkrachtig het grote niets op zijn overgrote atlas aanwijzend. “Daar trekken we op excursie, mijn kind.” Hij kijkt nog even in het rond om meer vragen de wortel uit te knippen. Bartje zwaait trots met het schaartje in zijn handen. “Weet U meer, meester?” “Natuurlijk, daar zijn meesters voor, kinderen bij te leren.” “Kan ik dan mijn vrijheid terugwinnen?” vraagt kleine Bart. “Dan zal je door het venster moeten, vrees ik.” Bartje keek bevreesd naar de gekscherende druivelaar. Het leek alsof hij daadkrachtig een schriel vingertje naar hem uitstrekte. En Bartje trok de wereld in. Er was niets te groot voor kleine Bart. Alles leek wel op maat gemaakt door een goddelijke schepper. Aan zijn hand vond hij het dappere jongetje. “Mag ik mee naar de vervolmaking van de wereld?” “Laat mijn hand niet los tot ik het zeg.” antwoordde Bartje vastberaden zoals iedereen hem kende. Toen kwamen ze bij een enorm verkeerslicht. “Het …” Het dappere jongetje liet los. “Het is groen.” wou kleine Bart nog zeggen. Maar spreken kon hij niet meer. Overal waar hij kon zien was er bewustzijn.   Het dappere jongetje was verloren. Strijkers in de poetshulpwinkel verheffen het dagelijks leven tot kunst. Maar dat vond hij niet al te serieus. Hij keek op. “Mama, ik wil wijsgeer worden.”

Robijn Bodijn
0 0

Schriftuur voor een droom

(zij liggen - aan een inham verborgen - bovenop de bedding - te genieten; hun verstrengelde lichamen - onderbrekend - het spontane beloop van de vloed)   (ergens vanuit de struiken - onderga ik - het schouwspel - merk ik op - haar versteende masker - of wat het ook - voor de jongen - verbergt - nu eens verder - dan weer dichter - bij haar gelaat; onder het masker - haar opgestroopte huid - van vele vuren - het nalatenschap; teruggeschrokken voor de brandende zon)   (mijn beeld - onscherp en verduisterd - als een film - verloren voor ons gezamenlijk geheugen; Engelstalige woorden en Nederlandstalige ondertitels)   “een bloem” (merkt ze op - of iets dergelijks - werd onduidelijk nadat alles wakker werd; jongen buigt zich over haar en de bedding - alsof hij haar uiteindelijk - vasthouden zou)   (ergens vanuit de struiken - maak ik - steeds meer - deel uit van het schouwspel; jongen strekt vinger - als een onhandig buitenaards wezen - naar haar gelaat; kleine maar bevrezende insecten - bewegen zich - met minder gelijkmatige lichamen - in evenwijdige paden - van zijn schouder - over zijn arm - troepen samen aan zijn vingeruiteinde)   “wat zijn dat?” (vraagt ze - met verheven Engelstalige stem)   “Nutes” (antwoordt de jongen - zo verzachtend mogelijk - gegroeid uit zijn Engelstalige verbastering van ‘tuinen’ - waar ze - zo vaak mogelijk - in toefden; het gebaar - gebroken als dit schrijfhout - inwaarts - uitwaarts)   (hoewel ik - probeer te begrijpen hoe het - verder afliep - worden - eerst mijn vingeruiteinde - dan mijn arm - vervolgens mijn volledige lichaam - meegesleurd - in mijn ontwakende bewustzijn)   (haar bloem verzinkt - verder in de arme ondergrond - een vroeggeboren vrucht - verdroogt in mijn handen; ik vertrouw de droom - aan dit gebladerte; onversproken - tot nu)

Robijn Bodijn
4 0

De Wachtkamer (als tijd verstarde onder ongedurige ogen en haar belerende wijzers werden overtroffen door alvermorzelend tandengeknars)

Er waren klokslagen waarop ogen verduisterden als schuchtere vensters in parallelle straten, beschouwingen zich naar de haard strekten en een dovend gesprek vergeefs de vlam probeerden in te blazen. Muren speelden onze waanvoorstellingen als schaduwen uit.   Er was niets fluisterenders dan het zwijgen. Deze uitdrukkingsloze vloer werd een bevroren ondergrond waar voeten hulpeloos op schaatsten, verveling een weerbarstig vuur die onze levensdrift de lucht afsneed en vereenzaming de harteloze wind die zich inwaarts keerde.   Terwijl de duisternis woekerde, verteerde verkunsteld licht de gebroken bespiegelingen van ieders verdronken ogen. Ik veegde de fronzen van mijn verzuchtende hoofdhuid, terwijl koelbloedigheid verkrampte tot de verscheurde zweetprop in mijn handen en spanning zich verdrukte onder mijn roerige vingers.   Dit getouwtrek van ongesproken woorden had zelfs de meest veerkrachtige tongen verstrikt. Mijn geest verborg zich onder tengere oogleden als een zwerver onder een gekrompen sprei, mijn tenen verzochten elkaars warmte als grootouders met vergroeide benen.   Sommigen waren er naakt geboren, in dit land zo begrensd dat het eindeloos werd. Vaders wervelden door deze kamer als goudvissen zonder eetlust. Er waren er die het wachten willen verschreeuwen, maar hun onrust werd tot twijfel aan het oppervlak. Moeder verzamelde nauwkeurig haar stemkracht voor de uitbarsting van het moment. “Tijd is geld, maar wordt zonder ons evenzeer nageteld.” Haar hand probeerde me te begrijpen, terwijl de verzoute waarheid zich aan haar sprekende lippen onttrok.   Iedereen trof zijn manier om zonder waarom verder te gaan.

Robijn Bodijn
3 0