Portiek

6 mrt 2025 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Portiek 

Op weg naar huis begon het te regenen. Om niet nat te worden, ging ik een portiek in. Ik zette mijn tas met boodschappen neer en keek de grauwe grijze straat in. Langs het trottoir stond een begrafenisauto geparkeerd met daar achter drie volauto’s. Er moest dus een lijk in de buurt zijn. 

    Na een kwartier schuilen, goot het nog steeds. Ik begon trek te krijgen en dacht aan de grote pot zure haring in de boodschappentas. Ik zou er best een lusten. Na wat twijfelen pakte ik de pot en keek door het glas naar de zilverkleurige visjes. Het water liep me in de mond. Er was niemand in de buurt, dus dacht ik waarom ook niet. Ik pakte de pot stevig beet en draaide de deksel, die goed vast zat met een ruk open. Door de schok glipte de pot uit mijn handen en spatte op de grond uiteen. Als een eiland lagen de haringen op een hoop in een plas azijn scherven en uien. Spijtig keek ik naar de ravage en vervloekte mezelf om mijn stommiteit. 

    Maar zo te zien had de bovenste haring niets geleden. Die zou ik nog best kunnen opeten. Ik ging op mijn hurken zitten om het visje nauwkeuriger te bekijken. Er was niets mis mee. Ik pakte hem op en wilde een hap nemen, toen een deur in het portiek open ging. Er werd een brancard op wielen met daarop een doodskist naar buiten geduwd, waarna een aantal mannen in het zwart de overledene beschut door grote paraplu’s naar de lijkauto brachten.

    Intussen kwamen naasten van de overledene uit het huis het portiek in. Ik stond ertussen of ik er bij hoorde en zag droevige blikken van verstandhouding. Niemand zei iets. De stilte werd alleen verbroken door gesnotter en het geknars van glas onder voetzolen.  

    Een vrouw naast mij vroeg fluisterend: ‘Wat doet u hier meneer. Wie bent u?’ 

    Ik voelde mij ongemakkelijk. Het liefst was ik weggegaan,  maar nu het regenen was veranderd in een wolkbreuk bleef ik staan en zei: ‘Mevrouw ik ben hier om te schuilen voor de regen.’

     De vrouw veegde haar rood betraande ogen af en zei iets te hard naar mijn zin: ‘Meneer we zijn hier om tante te begeleiden naar haar laatste rustplaats. Ik vind uw aanwezigheid zeer ongepast.’

     Ik keek naar de afkeurende blikken op de gezichten om mij heen en dacht, ook in het uur van de dood kunnen mensen klootzakken blijven. 

      Gelukkig kwamen de uitvaartmedewerkers terug om de rouwenden naar de volgauto’s te begeleiden. 

    Ik was weer alleen. Op de grond lag een vieze smurrie van platgetrapte haringen en er hing een ranzige geur van zure vis, regenjassen en parfums. Ik voelde me misselijk worden. Ik moest hier weg en stapte het portiek uit de regen in. Snel ben ik naar huis gelopen waar ik drijfnat aankwam.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

6 mrt 2025 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket