Krasslanskyp0⁰

Gebruikersnaam Krasslanskyp0⁰

Teksten

Frederik

Frederik    Frederik ligt slaperig en ontspannen in de sauna van zijn houten vakantiehuis, ver van de bewoonde wereld, in de rust van de ongerepte Finse natuur.      Hij gooit wat water op de kolen zodat de geurige hete dampen zijn huid aangenaam prikkelen. Frederik is een tevreden man en kan zich permitteren hier vaak te zijn. Jammer dat Seija niet mee kon komen. Frederik luistert naar de meeslepende stem van Norah Jones en nipt aan zijn wodka.    Als hij ontwaakt uit een dutje, merkt hij dat er iets niet in orde is. Hij ruikt een andere geur dan die van de sauna. Hij staat op en opent de deur. Onthutst kijkt hij de gang in en ziet dat zijn huis in brand staat. Vuur en hitte komen op hem af. In paniek grijpt hij zijn badhanddoek en rent door de achterdeur naar buiten.     Naakt staat hij in de sneeuw. De vlammen reiken hoog in de donkere lucht. De paniek maakt plaats voor kou en angst. Hij probeert zo dicht mogelijk bij het vuur te komen om zich te warmen. Tegen de morgen ligt Frederik verkrampt tussen de smeulende asresten, waar vlokken sneeuw sissend in verdwijnen.      Er is hier geen telefoonbereik. Hij moet het erop wagen. Frederik strompelt naar zijn sneeuwscooter. De sleutel steekt nog in het contact. Hij start en rijdt weg. Na een paar kilometer raakt Frederik verstijfd en gevoelloos. De sneeuw plakt als een dik schild tegen zijn lichaam. Alleen zijn mond is sneeuwvrij. Flarden verloren herinneringen flitsen door hem heen, afgewisseld door zwarte vlekken van tanend bewustzijn. Een warme deken komt over hem. Hij voelt zich slaperig en ontspannen. Even later is de opening voor zijn mond ook dicht gesneeuwd. De sneeuwscooter rijdt stuurloos verder in de grote witte vlakte.  

Krasslanskyp0⁰
10 1

Op kantoor

Op kantoor. zkv Het personeel is samen gekomen in de kantine. Zij kijken schichtig om zich heen en praten met gesmoorde stemmen over de onhoudbare toestand in het bedrijf.   Soms krijgt iemand een huilbui en worden er tussen de snikken door neuzen gesnoten. Een zichzelf opgeworpen leider drukt iedereen op het hart het hoofd koel te houden.   Iets achteraf staat Wim de jongste bediende. Voor hem is het allemaal te veel. Zijn acne gezicht vertoont zenuwtrekken.   Wim schuifelt naar het buffet, haalt een broodmes uit de lade en loopt naar de directiekamer. ‘Iemand moet het doen, sist hij verbeten. Het grensoverschrijdend gedrag moet stoppen. Het in billen knijpen van de biseksuele directeur waarvan Wim ook slachtoffer is moet afgelopen zijn.  In de gang krijgt Wim nog een emotionele optater als hij Agnes de secretaresse en het neukertje van de baas tegen komt. Haar blonde lange vlecht is al lange tijd een bron van zijn wilde seksuele fantasieën. Nu alle remmen los zijn, pakt hij haar beet, smoort haar geschreeuw en snijdt de vlecht af.    Met de haarbundel tussen zijn tanden ramt hij zonder kloppen de deur van de directiekamer open en blijft wijdbeens staan voor het bureau van de grote baas.  De heer van Beukenstein kijkt angstig naar Wim en het mes.  Achter Wim is Agnes de kamer binnen gekomen, gevolgd door het  personeel. Zij maken een kring om het bureau en roepen: ‘Neem hem te grazen Wim. Geef hem op zijn donder!’      Het personeel wordt dreigender. De kring rond het bureau kleiner. De directeur glijdt van zijn stoel, zakt op zijn knieën en smeekt om genade: ‘Alsjeblieft Wim, alsjeblieft spaar me, doe me geen kwaad, dan krijg je promotie en een dikke bonus.’    Zijn welvaartslichaam trilt van angst, maar het maakt op Wim geen indruk. Opgejut door het personeel voelt hij dat er een belangrijke taak voor hem is weggelegd. Maar dan komt er iets van twijfel, als zijn gereformeerde opvoeding opspeelt.   In een flits denkt Wim aan Abraham die zijn zoon moest kelen, maar dat op het laatste moment de slachtpartij werd afgelast: ‘Dat zal mij niet gebeuren!’ Schreeuwt Wim en steekt het mes door het vette hart van de heer van Beukenstein.  Het personeel schrikt en kijkt doodstil naar het stuiptrekkende slachtoffer. Zij doen een paar passen achteruit. Sommigen gaan hysterisch krijsen. Zo extreem hadden zij het nu ook weer niet bedoeld.   Agnes voelt zich gesterkt door de ommezwaai en roept buiten zich zelf van woede: ‘Vieze verkrachter, vuile moordenaar, schoft, ik zal de politie bellen!’   Het personeel begint nu ook luid te roepen: ‘Moordenaar, moordenaar, moordenaar, moordenaar!’  Wim staat er met het bloed aan zijn handen lamlendig bij. Hij is onthutst en zoekt een uitweg. Wanhopig loopt hij naar de balkondeur, duwt hem open en doet een been over de balustrade. Dan roept hij luid: ‘Moeder vergeef mij!’   Met dicht geknepen ogen springt hij van de eerste verdieping boven op een uit de kluiten gewassen Duitse dog die zijn behoeft aan het doen is. Na de doffe smak staat Wim versuft op en kijkt naar de hond, die gebroken in zijn drollen de laatste adem uitblaast.  Intussen is het balkon volgestroomd met het personeel. Reikhalzend kijken zij naar beneden en roepen luid: ‘Dierenbeul, dierenbeul, dierenbeul, dierenbeul!’   Als een geslagen hond rent Wim schuw achteromkijkend de straat uit.  

Krasslanskyp0⁰
6 1

De bovenburen

De bovenburen   Ik ergerde mij dood aan de bovenburen. De maat was vol. Vroeger ben ik regelmatig aan de deur geweest om te klagen en heb briefjes in de brievenbus gestopt. Ook heb ik met de bezemsteel tegen het plafond gebonkt, maar niets hielp. Ik heb vele malen de politie gebeld. Zij hebben die aso’s een paar keer gewaarschuwd maar ook dat hielp niet. En daar sta je dan als alleenstaande vrouw in  een woestijn van hulpeloosheid, overgeleverd aan de grillen van door inteelt gevormd asociaaltuig.    Mijn leven is een grote rotzooi geworden. Door hun toedoen heb ik allerlei kwalen gekregen. Zoals depressies en een haperende schildklier. Ik ben al een hele tijd in de overgang, maar sinds de ellende met die debielen zijn mijn opvliegers heviger en komen ze veel vaker voor. Zelfs mijn dildo’s heb ik in geen tijden meer aangeraakt. Ik wil hier weg, mijn huis staat al een tijd te koop. Er zijn een aantal kijkers geweest. Ik hoopte dat het tuig van boven er niet zou zijn. Pech. Na vijf minuten waren de belangstellenden weer weg.  Van narigheid heb ik toen een hele flessherry leeggedronken. Sherry was het enige dat mijn leven nog dragelijk maakte. Ik was van verschillende kanten gewaarschuwd om het niet te bont te maken, maar ik kon het niet laten. Alcohol was voor mij een deken waaronder ik mij veilig voelde.   Vorig jaar heb ik een bureau ingeschakeld dat bemiddelt in dit soort gevallen. Ik moest veel papieren invullen, maar heb nooit meer iets van hen vernomen. Waarschijnlijk zagen zij het niet meer zitten na hun eerste bezoek aan die van boven. Ik zie het al voor me. Zo’n juffrouwtje die aanbelt en vraagt of zij binnen mag komen. Ze zou plaats mogen nemen op de bank waarna een van die debielen in zijn onderbroek de kamer binnen komt en zijn leuter eruit haalt.     Ik heb het er met mijn vertrouwensarts over gehad. Hij strooide met adviezen als sinterklaas. Maar ik kon er niets mee. Ik zakte steeds dieper in de put.   Nadat ik weer eens een hele flessherry had leeggedronken,  besprongen mij allerlei gedachten over wat ik kon doen om dat gespuis uit te roeien. Net als in films de hele huiskamer met die klootzakken er in afknallen. Dan maar de rest van mijn leven in de bak doorbrengen. Ik dacht zelfs om het hele huis in de fik te steken. Maar dan zouden ook onschuldigen verkolen zoals het oude vrouwtje op nummer twaalf.    Vorige week kwam ik er een paar van boven tegen. Ze keken mij agressief aan en die magere kale met tatoeages in zijn nek zei: ‘Dag kut wijf, godverdomme.’  Ik was helemaal overstuur. Toen de sherry op was moest ik eruit om aan te vullen, maar ik kon niet meer. Ik was finaal op en wilde er voor eens en voor altijd vanaf zijn. Na urenlang in tweestrijd, heb ik een beslissing genomen en ben van mijn balkonnetje gesprongen. Nu lig ik hier in het ziekenhuis met een gebroken been, een rib door mijn long en een zware hersenschudding. Heel vervelend maar wel lekker rustig. 

Krasslanskyp0⁰
2 1

Liefde

Liefde  Hij was zo jong niet meer, al ver over de vijftig en verliefd geworden. Dat was hem nog nooit overkomen. Vrouwen genoeg gehad in zijn leven, al waren dat meestal sekswerkers. Maar verliefd, nee. Nu was het zover. Hij wist er geen raad mee. Volkomen uit zijn doen, deed hij dingen die hij nog nooit had gedaan. Hij schreef liefdesgedichten, masturbeerde niet meer en bleef ’s avonds thuis, om in een luie stoel zich over te geven aan gelukzalige fantasieën over de vrouw van zijn dromen. Zij was het allesomvattende wat hem in zijn greep had. Soms dacht hij: ‘hoe moet het verder. Wat kan ik doen om zover te komen, dat ik gelukkig met haar wordt.’ Zij was zo ver weg en onbereikbaar, dat het een bijna onoverwinnelijke hindernis was om haar te spreken, laat staan omarmen. De kroeg waar hij kwam was niet meer hetzelfde. Zijn oude  zuipvrienden boeiden hem niet meer. De onrust regeerde over hem. Hoe moest hij dit oplossen? Hij wist het niet, helder denken ging niet meer. Hij leefde bijna instinctief. Op het werk ging het ook niet goed, hij kon zich niet concentreren. Het moest toch een keer gebeuren dat hij haar zijn liefde kon betuigen. Een keer in haar ogen kijken en zeggen: ‘Ik hou van je. Wil je de mijne worden?’ Maar voor het zover was, moest hij nog een lange weg afleggen van moed opdoen en zich met de hulp van een psycholoog zo ver weten te krijgen, dat hij rijp was voor de grote stap.  Nu na twee jaar wringen en zweten was het zover. Hij had haar opgewacht en aangesproken, waarna hij zich niet meer kon beheersen en haar wilde omarmen. De vrouw had hem een klap in het gezicht gegeven en was gillend hard weggelopen.  

Krasslanskyp0⁰
16 0

De Belg.

De Belg  Op een terras in Ieper (België) keek ik uit over een plein, waar grote groepen jonge mannen met kort geknipt kapsel de zelfde richting uit liepen. Het merendeel was gekleed in keurige kostuums, anderen hadden militaire uniformen aan. Ik vroeg mij af wat de reden kon zijn van die bedrijvigheid, toen een keurige heer met een goud omrande bril het terras op kwam en voor mijn tafel stil hield. Hij keek mij doordringend aan en zei: ‘Meneer, u komt mij bekend voor. U moet Jack uit Californië zijn.’ Verbaasd om zijn stellige toon antwoordde ik: ‘Nee meneer, dat ben ik niet. Ik ben slechts een eenvoudige Hollander.’ Even was er teleurstelling op zijn gezicht, maar toen begon hij te grijnzen: ‘Hollander hé.’ Hij deed zijn hand omhoog, om vervolgens met de toppen van zijn duim en wijsvinger over elkaar te wrijven: ‘Zuinig hé, dat zijn jullie toch?’ De Belg lachte en ging aan een tafeltje voor mij zitten.  Een paar minuten later draaide hij zich om en vroeg: ‘Meneer, waarom zijn jullie zo slordig met de Nederlandse taal? Het is me op gevallen dat vooral bobo’s en ballen zoals jullie dat noemen, een lichte erectie krijgen als zij de taal vervuilen, met het inlassen van zoveel mogelijk Engelse woorden in hun keurig uitgesproken Nederlandse zinnen. En weet u wat mij nog meer is opgevallen,’ zei hij wijsneuzig, ‘dat als een Nederlander fouten maakt bij het spreken van de Engelse taal, het ervaren wordt als een ernstige vorm van achterlijkheid’  Hij haalde een zilveren sigarettenkoker uit zijn zak, koos er nadenkend een sigaret uit en ging verder: ‘Evenzo barst een goedmoedige lacherigheid uit, als men de Duitse taal verkeerd bezigt. Met enige trots wordt dan vermeld, dat men die taal niet meer zo goed beheerst.’  Hij keek mij aan op een manier van, hier valt geen speld tussen te krijgen en eerlijk gezegd, vond ik dat ook wel. Omdat de Belg omgedraaid bleef zitten, vroeg ik waar al die jonge mannen op het plein heen gingen.  ‘O die, Dat zijn Britse militairen, die gaan naar de Menenpoort, waar iedere dag sinds de eerste wereldoorlog om acht uur ’s avonds de Last Post wordt geblazen.’ De Belg knikte mij vriendelijk toe, draaide zich om en ging zich aan zijn Grand Marnier wijden.   Ik riep de ober en bestelde nog een lekker Belgisch bie

Krasslanskyp0⁰
11 0

Portiek

Portiek  Op weg naar huis begon het te regenen. Om niet nat te worden, ging ik een portiek in. Ik zette mijn tas met boodschappen neer en keek de grauwe grijze straat in. Langs het trottoir stond een begrafenisauto geparkeerd met daar achter drie volauto’s. Er moest dus een lijk in de buurt zijn.      Na een kwartier schuilen, goot het nog steeds. Ik begon trek te krijgen en dacht aan de grote pot zure haring in de boodschappentas. Ik zou er best een lusten. Na wat twijfelen pakte ik de pot en keek door het glas naar de zilverkleurige visjes. Het water liep me in de mond. Er was niemand in de buurt, dus dacht ik waarom ook niet. Ik pakte de pot stevig beet en draaide de deksel, die goed vast zat met een ruk open. Door de schok glipte de pot uit mijn handen en spatte op de grond uiteen. Als een eiland lagen de haringen op een hoop in een plas azijn scherven en uien. Spijtig keek ik naar de ravage en vervloekte mezelf om mijn stommiteit.      Maar zo te zien had de bovenste haring niets geleden. Die zou ik nog best kunnen opeten. Ik ging op mijn hurken zitten om het visje nauwkeuriger te bekijken. Er was niets mis mee. Ik pakte hem op en wilde een hap nemen, toen een deur in het portiek open ging. Er werd een brancard op wielen met daarop een doodskist naar buiten geduwd, waarna een aantal mannen in het zwart de overledene beschut door grote paraplu’s naar de lijkauto brachten.     Intussen kwamen naasten van de overledene uit het huis het portiek in. Ik stond ertussen of ik er bij hoorde en zag droevige blikken van verstandhouding. Niemand zei iets. De stilte werd alleen verbroken door gesnotter en het geknars van glas onder voetzolen.       Een vrouw naast mij vroeg fluisterend: ‘Wat doet u hier meneer. Wie bent u?’      Ik voelde mij ongemakkelijk. Het liefst was ik weggegaan,  maar nu het regenen was veranderd in een wolkbreuk bleef ik staan en zei: ‘Mevrouw ik ben hier om te schuilen voor de regen.’      De vrouw veegde haar rood betraande ogen af en zei iets te hard naar mijn zin: ‘Meneer we zijn hier om tante te begeleiden naar haar laatste rustplaats. Ik vind uw aanwezigheid zeer ongepast.’      Ik keek naar de afkeurende blikken op de gezichten om mij heen en dacht, ook in het uur van de dood kunnen mensen klootzakken blijven.        Gelukkig kwamen de uitvaartmedewerkers terug om de rouwenden naar de volgauto’s te begeleiden.      Ik was weer alleen. Op de grond lag een vieze smurrie van platgetrapte haringen en er hing een ranzige geur van zure vis, regenjassen en parfums. Ik voelde me misselijk worden. Ik moest hier weg en stapte het portiek uit de regen in. Snel ben ik naar huis gelopen waar ik drijfnat aankwam.

Krasslanskyp0⁰
0 0

potloodventer

potloodventer Het personeel is samen gekomen in de kantine. Zij kijken schichtig om zich heen en praten met gesmoorde stemmen over de onhoudbare toestand in het bedrijf. Soms krijgt iemand een huilbui en worden er tussen de snikken door neuzen gesnoten. Een zichzelf opgeworpen leider drukt iedereen op het hart het hoofd koel te houden.  Iets achteraf staat Wim de jongste bediende. Voor hem is het allemaal te veel. Zijn acne gezicht vertoont zenuwtrekken. Wim schuifelt naar het buffet, haalt een broodmes uit de lade en loopt naar de directiekamer. ‘Iemand moet het doen, sist hij verbeten. Het grensoverschrijdend gedrag moet stoppen. Het in billen knijpen van de biseksuele directeur waarvan Wim ook slachtoffer is moet afgelopen zijn.  In de gang krijgt Wim nog een emotionele optater als hij Agnes de secretaresse en het neukertje van de baas tegen komt. Haar blonde lange vlecht is al lange tijd een bron van zijn wilde seksuele fantasieën. Nu alle remmen los zijn, pakt hij haar beet, smoort haar geschreeuw en snijdt de vlecht af.    Met de haarbundel tussen zijn tanden ramt hij zonder kloppen de deur van de directiekamer open en blijft wijdbeens staan voor het bureau van de grote baas.  De heer van Beukenstein kijkt angstig naar Wim en het mes.  Achter Wim is Agnes de kamer binnen gekomen, gevolgd door het  personeel. Zij maken een kring om het bureau en roepen: ‘Neem hem te grazen Wim. Geef hem op zijn donder!’      Het personeel wordt dreigender. De kring rond het bureau kleiner. De directeur glijdt van zijn stoel, zakt op zijn knieën en smeekt om genade: ‘Alsjeblieft Wim, alsjeblieft spaar me, doe me geen kwaad, dan krijg je promotie en een dikke bonus.’    Zijn welvaartslichaam trilt van angst, maar het maakt op Wim geen indruk. Opgejut door het personeel voelt hij dat er een belangrijke taak voor hem is weggelegd. Maar dan komt er iets van twijfel, als zijn gereformeerde opvoeding opspeelt.   In een flits denkt Wim aan Abraham die zijn zoon moest kelen, maar dat op het laatste moment de slachtpartij werd afgelast: ‘Dat zal mij niet gebeuren!’ Schreeuwt Wim en steekt het mes door het vette hart van de heer van Beukenstein.  Het personeel schrikt en kijkt doodstil naar het stuiptrekkende slachtoffer. Zij doen een paar passen achteruit. Sommigen gaan hysterisch krijsen. Zo extreem hadden zij het nu ook weer niet bedoeld.   Agnes voelt zich gesterkt door de ommezwaai en roept buiten zich zelf van woede: ‘Vieze verkrachter, vuile moordenaar, schoft, ik zal de politie bellen!’   Het personeel begint nu ook luid te roepen: ‘Moordenaar, moordenaar, moordenaar, moordenaar!’  Wim staat er met het bloed aan zijn handen lamlendig bij. Hij is onthutst en zoekt een uitweg. Wanhopig loopt hij naar de balkondeur, duwt hem open en doet een been over de balustrade. Dan roept hij luid: ‘Moeder vergeef mij!’   Met dicht geknepen ogen springt hij van de eerste verdieping boven op een uit de kluiten gewassen Duitse dog die zijn behoeft aan het doen is. Na de doffe smak staat Wim versuft op en kijkt naar de hond, die gebroken in zijn drollen de laatste adem uitblaast.  Intussen is het balkon volgestroomd met het personeel. Reikhalzend kijken zij naar beneden en roepen luid: ‘Dierenbeul, dierenbeul, dierenbeul, dierenbeul!’   Als een geslagen hond rent Wim schuw achteromkijkend de straat uit.  

Krasslanskyp0⁰
7 1

Angelo's dochter

Angelo’s dochter                                                 ‘Wat! Kom je met de feestdagen niet thuis?’     ‘Nee pa, sorry, er is wat tussen gekomen. Ik ga met Fred op vakantie naar Schotland.’ Angelo drukt de telefoon vaster tegen zijn oor en zegt  geïrriteerd: ‘Maar je zit al een half jaar in Londen. Is het nou niet tijd dat je een keer naar huis komt. En wie is Fred dan wel? Ik wist niet eens dat je een vriend had.’     ‘Ik begrijp dat jullie het niet leuk vinden dat ik niet kom… Maar door Fred is mijn leven nogal veranderd en dat…’     ‘Ja, ja, ja, je kent hem dus pas en nu ga je al met hem op vakantie, zonder dat je moeder en ik kennis met hem hebben gemaakt. Wat is het voor iemand? Hoe oud is hij, wat doet hij voor de kost en is hij vrijgezel?’       Angelo kijkt veelbetekenend naar zijn vrouw die ingespannen de woorden van haar dochter probeert in te vullen.      ‘Ja, hij is vrijgezel en erg sympathiek, jullie zullen hem vast heel aardig vinden. Hij is wel wat ouder dan ik.’     ‘Wat bedoel je met wat ouder?’     ‘Nou ja, hij is achtendertig jaar.’      ‘Wat zeg je! Dan is hij twintig jaar ouder…? Wat moet mijn dochter met zo’n ouwe kerel? Dat kun je je ouders toch niet aandoen?’     Angelo brult het bijna door de telefoon. Zijn hoofd is rood gezwollen van kwaadheid. Zijn vrouw komt geschrokken naar hem toe en pakt de telefoon uit zijn hand.     Marit liefje, met je moeder’       'Hallo mam, zegt ze snikkend. Waarom gaat pa zo te keer. Ik ben toch geen klein kind        meer. Ik ben achttien jaar en ik wil mijn leven zelf indelen.’      ‘Ja meisje, je vader is nu eenmaal driftkikker dat weet je, maar vertel eens hoe is het met je?’      ‘Heel goed mam, ik heb een man ontmoet. Hij heet Fred en ik hou van hem.’     Angelo ergert zich aan zijn vrouw die met haar dochter praat of er niets aan de hand is. Demonstratief loopt hij de tuin in naar de schuur. Heb ik daar nou al die jaren voor geploeterd, om dat kind aan de eerste de beste ouwe smeerlap  mee te geven?     Als hij voor zijn Harley-Davidson staat bedaart hij. Liefdevol streelt hij met zijn hand over het zadel, pakt een doek en gaat de toch al glimmende machine verwoed verder oppoetsen.     Als hij drie kwartier later weer binnenkomt, legt zijn vrouw net de hoorn op de haak.      Angelo loopt naar de ijskast, pakt een blik bier en zet het aan zijn mond.      ‘En…, ben je nog wat aan de weet gekomen over die vent. Wat doet hij voor de kost. Of is het weer zo ‘n klaploper als die vorige verkering van haar?’      Zijn vrouw kijkt hem met een spottend lachje aan en vraagt: ‘Angelo, schenk mij ook eens wat in?’      ‘Zo midden op de dag? Dat ben ik niet van je gewend.’     ‘Die Fred waar jij zo een probleem van maakt is een  hardwerkende man. Hij is zo bezig dat hij miljonair is’     ‘Wat zeg je me nou?’      ‘Ja… en nog iets. Hij is de grootste importeur van motoren uit Japan en de Verenigde Staten in Groot-Brittannië’      ‘Wel allemachtig!’      Angelo zit er verslagen bij. Zonder dat hij het merkt drukt hij zijn halfvolle blik bier in elkaar.     ‘Uit Amerika…? Dan importeert hij ook Harley-Davidson!’       ‘Inderdaad en ik heb met Marit afgesproken dat zij na hun vakantie een paar dagen naar Holland komen. Of vind je dat geen goed idee?’     ‘Uhhhh…, ja natuurlijk dat lijkt me geweldig. Weet je wat, ik zal haar kamer een verfje geven. En als ze er zijn kunnen we gezellig met zijn allen mosselen gaan eten in de bowling. Misschien is het ook leuk om een dagje naar Volendam te gaan, daar kun je in klederdracht op de foto dat lijkt mij leuk voor zijn familie.’   

Krasslanskyp0⁰
0 1