opa staat glunderend
voor het grote keukenraam
in romig wit getooid
zacht als bloesem was hij
zoet als rijpe pruimen
elke lente wordt hij verwacht
kijken wij de botjes uit zijn takken
juichen hem toe
met weemoed herdacht
bewonderd voor zijn pracht
opa werd een pruimelaar
hoor de merel fluit hem toe
opa glundert en lacht