PSM
Dit is wat ik me tijdens de oplopende bedenktijd in de wachtzaal nu herinner van de laatste keer toen ik eens terug thuis voor de badkamerspiegel, de blikschade opnam:
Het éne uiteinde van een zakdoek opgerold, weggepropt, overvloedig gedrenkt in de beste whisky (halve fles Jack Daniels) van het huis. Al wat ik proefde tijdens het mondwalsen was de metaalsmaak van bloed. De kwispelende, rode tong die uit mijn mond kwam te hangen was bij nader inzien toch het andere uiteinde van dezelfde witte zakdoek. Ik verbeet een mondvol pijn met een gezwollen kaak erbovenop. Mijn spiegelbeeld vroeg me dringend om uitleg over het hoe en waarom van al die zichtbaar gedeelde brokken. En het was alsof ik wou zeggen met wat me gesmoord in die zakdoek, aan onbeholpen kinderklanken van de tong rolde dat ik in eer en geweten had gehandeld door van jongsaf aan toch twee keer per dag mijn tanden te poetsen? Eén keer in de morgen en één keer voor het slapengaan, helemaal volgens het boekje dat mijn moeder me zo vaak had voorgelezen!
Terwijl ik nog terugdenk aan wat zovele jaren na datum soms nog opduikt in een boze droom, zwaait de deur open en de gelukkige vóór mij gaat ervandoor in zichtbaar knellende zevenmijlslaarzen. In zijn kielzog doemt een gestalte op in de deur naar het kabinet... In zijn vuist houdt hij een metalen tang, zijn mondmasker is bespat met rode vlekken met daarboven een paar staalharde ogen die uit hun kassen lijken te knallen.
De blauwe ogen fluisteren me in dat het ondertussen zondagavond is, bijna bedtijd. Maar tussen de regels door staat te lezen dat “klant is koning” een gedateerde wijsheid is uit die dagen dat “knelpuntberoep” het ideale ontbreekwoord had kunnen zijn voor wat tot een alomtegenwoordig fenomeen uitgegroeid is. Een mens vraagt zich af waar al die loodgieters, onderwijzers, timmerlui, dakdekkers, lassers, vloerders, schilders, de boekhouders, de kinderopvangers en nu in mijn geval al die tandartsen in hemelsnaam gebleven zijn? Samen met deze ontnuchterende gedachte voel ik van alles opkomen, niet in het minst de keuzestress van de enige optie. Ik kijk naar hem, hij naar mij...
Hij, die de tandarts van wacht uitbeeldt vraagt me of ik er klaar voor ben. Maar dan rinkelt mijn gsm... Ik neem op en registreer tegelijkertijd hoe de man met de tang me uitnodigend wenkt. Achter zijn gebaren is reeds wat tandengeknars te horen. “Ben jij de eigenaar van de auto met nummerplaat 1jzy 496 die geparkeerd staat ter hoogte van huisnummer 22 in de Averboodsesteenweg?” Zo klinkt aan de andere kant een stem waar ergernis in doorschemert. Ik verneem dat mijn bolide met één volle neuslengte net vóór de garage van een verbolgen huiseigenaar geparkeerd staat. Blijkt dat die ondertussen hoogrijp is voor de reeds uitgerukte wegsleepdienst van wacht. ”Wil je die kar dringend, nee nù, komen verplaatsen aub?” “Jazeker, heel graag, mijnheer de agent en heel erg bedankt voor uw attentie, ik ben er zó” antwoord ik opgelucht. Ik zeg nog zo beleefd mogelijk “sorry dokter, overmacht”. Als bewijs zwaai ik met mijn reeds dode gsm maar toch loopt hij me achterna tot aan mijn vlakbij verkeerd geparkeerde auto. Overhaast verkeerd geparkeerd door die verstandsverdovende, bewustzijnsvernauwende kiespijn, ik geef het toe, ik weet het!
Daar, op het kookpunt tussen de huiseigenaar die zwaait met zijn flitsende zaklantaarn, de agent die zwaait met zijn versleten wapenstok, de tandarts die zwaait met zijn blikkerende tang en de zojuist ter plaatse gesnelde depanneur die zwaait met zijn gebalde vuist word ik als één man tegen de luisterkant van de klaagmuur gezet.
Het ergste van de stortvloed aan harde woorden is het groeiend besef dat deze heren, elk één voor één, in de kern wel eens gelijk konden hebben. Zo kom ik onder meer tot het inzicht dat de gillende pijn in mijn wijsheidstand louter een uiting van de kleinzerigheid van mijn karakter is, dat ik daarom niets anders dan een ordeverstoorder ben, dat ik noch van burgerzin noch van verantwoordelijk-heidbesef of solidariteit een gram kaas heb gegeten en dat het vlak af gezegd, voor iedereen zondagavond is... Ik besef, deze heerschappen hebben ontegensprekelijk één punt, het is inderdaad zondagavond zo rond de klok van 22u! Ik probeer zo hard te knikken dat alleen mijn knieën uit blijk van goede wil ervan meedoen. Mijn blik is gericht op de grond als ik gewaar word dat de top van mijn linkerschoen onder druk van hun schelle stemmen zomaar op en neer begint te wippen. Ook mijn rechtervoet waagt zich op zijn beurt op de bemodderde dansvloer en trapt meteen brutaal op de andere.
De enige getuige van de kusjesdans van dit met elkaar ongelukkig koppel is het mannetje uit de maan, dat doorheen de voorbijdrijvende wolken even komt piepen, naar me lacht, nee mij uitlacht terwijl ik de hemel aanroep maar voorlopig zonder het beoogde resultaat: Ik blijf me tot in de toppen van mijn tenen als gegijzeld voelen door wat je in vliegtuigtermen de automatische piloot in de stuurcabine zou kunnen noemen.
Als er uiteindelijk dan toch een stilte valt, glip ik terug in de comfortzone van mijn krakkemikkige oldtimer met zijn harde zetel en zijn tegendraads stuur. Ik blik ter afscheid nog even in de achteruitkijkspiegel. Ik geef gas, heel veel gas, zeg maar plankgas! In volle vaart schiet ik met de neus in de lucht over de vluchtheuvel even verderop en kom hard neer. De oldtimer geeft gepast lucht aan mijn opgekropte gevoelens door een pracht van een roetwolk uit te spuwen recht in hun gezicht. Terwijl het viertal alras uit mijn achteruitkijkspiegel verdwijnt doet mijn verbeelding juist het omgekeerde door me te trakteren op een schouwspel dat voor mijn ogen tot ontwikkeling komt zoals het bekende Carglass-sterretje in de voorruit:
ik verkoop het kwartet bollebozen de kinkhoest tot de tranen hen in de ogen springen/ze buigen ervan voorover/ik laat ze heen en weer waggelen/zie ze als blindgeslagen waden doorheen de bijtende rook/ik dwing ze vervolgens op de knieën/geef hen nog een laatste zetje waardoor ze hulpeloos over de straat rollen/wanneer ze eindelijk terug op de been geraken, komen de zeurpieten die ze zojuist nog waren uit het rookgordijn tevoorschijn als roetpieten met een stormbestendige vetkuif recht uit het rock 'n roll boekje van de jaren '50/
Tussen twee vloeken door hoor ik boven de loeiende motor uit mijn naam en ook mijn nummerplaat vallen zoals klinkende munt in de voorlopig lege offerschaal...
Bij thuiskomst als ik in de badkamerspiegel kijk, dringt het pas goed tot me door: onderweg, ergens in de buurt van de plaats delict moet ik vanzelf mijn kloppende tandpijn kwijtgespeeld zijn. Als bij wonder helemaal vanzelf en daar moet mijn spiegelbeeld van lachen en ik lach als daarvan aangestoken, nog harder mee. Nu dat het nog even kan...want tegelijkertijd als ik goed in de spiegel kijk, merk ik hoe de rondgaande offerschaal zijn weg weet te vinden naar de verstekeling in de biechtstoel, hij die dacht reeds vooraf te hebben betaald met een overschot aan kiespijn.
Vijf dagen later, op donderdagmorgen na een slapeloze nacht, zo rond de klok van 7u, toen ik op het punt stond de contactsleutel van mijn auto om te draaien, zag ik uit de bocht mijn oude vriend, de postbode verrijzen in het gezichtsveld van de autoruit. Er zat vaart in. Ik kende hem al lang, nog van school, van toen hij nog de bijnaam “Slekke Verhelst” alle eer aandeed op het voetbalveld van de speelplaats. Rudy zwaaide naar mij met in zijn opgestoken hand, een brief. Hij zei met een zucht “Robbie, hé, hé, zwijg stil” toen ik hem vroeg hoe het ermee was. Ik zag een zweetdruppel vallen op de enveloppe. Het bleek te gaan om een aangetekende brief van de plaatselijke politie. Nu al! Er was iets op komst, dat wist ik wel maar zo vroeg had ik het toch niet verwacht... In de brief stond te lezen:
Geachte heer,
Gelieve uw nummerplaat met kentekennummer 1jzy496 zo vlug mogelijk te komen ophalen bij het politiekantoor van Roeselare. Deze werd door onze diensten gevonden ter hoogte van huisnummer 24 in de Averboodsesteenweg, Roeselare op zondag 21 juni om 22u15. U bent momenteel strafbaar. Bij niet-afhaling binnen de gestelde termijn van vijf dagen na de vaststelling, uiterlijk op donderdag 27 juni, kan de boete oplopen tot gerust 2000 euro. Dat hangt af van de politierechter. We zijn open van 8 uur tot 17u.
Met de meeste hoogachting,
Politie Riho (Roeselare)
“Gerust”! Ik zei tegen Rudy: Rudy, O nee, ook dat nog! Maar toen ik opkeek zag ik nog juist het achterwiel van zijn fiets verdwijnen in de bocht. De dagen dat Rudy na zijn ronde met een rode neus van plezier huiswaarts keerde, lag ver achter hem. Van het aangebodene sloeg Rudy nooit iets af, en wat algemeen geweten was, leek evengoed maatschappelijk aanvaard vanwege de meerwaarde van een tussen pot en pint gestolen babbel. De versnapering, vast of in zijn geval vloeibaar, hoorde van oudsher bij het beroep als een door wind en regen verworven recht. Tegenwoordig kwam Rudy thuis met op zijn wangen, het nog nagloeiend hoogrode van de berg afgeleverd materiaal, van de stress van de inderhaast in de schoenen geschoven ronde, van de kantoorhonden die hem bij iedere omwenteling blaffend op de hielen zaten. Maar nu had bijna iedere postbode wel een elektrische fiets en een smartphone ter beschikking gekregen!
Bij nadere inspectie van mijn rammelbak kon ik niet anders dan in ongeloof het hoofd schudden en tegelijkertijd knikken want de politie had gelijk, wééral. Ik reed op en af naar het werk over een afstand van pakweg 50 km, met slechts één nummerplaat! Al vijf dagen. En dat met al die verkeerscamera's die ergens onderweg, ik-weet-niet-waar, verdekt stonden opgesteld. Ik had horen waaien dat er reeds detectiecamera's in gebruik zijn die ongeveer tegelijkertijd de nummerplaat zowel vooraan als achteraan lezen. Als ik alles op één rijtje zette, reed ik dus rond met onder mijn zware voet een tikkende tijdbom die op zeker moment met één dubbele flits kon afgaan. Gelukkig slechts in figuurlijke zin maar toch... Het mysterie rond de door de politie teruggevonden nummerplaat bleef me dwars zitten. Hoe was dat in zijn werk kunnen gaan? Hoe was dat in godsnaam mogelijk? De nummerplaat achteraan moet losgeschoten zijn toen ik zo plots plankgas had gegeven over de vluchtheuvel, dacht ik ter verklaring. Toch was het onwaarschijnlijk... Toen ik mijn arme oldtimer onwillekeurig een schop verkocht, viel de nummerplaat vooraan er ook af. Kletterend, met schroeven en al! Terwijl ik aan de slag ging met een opgeduikelde schroevendraaier overdacht ik de situatie. De koppijn die de woordjes “tot gerust 2000 euro” had teweeggebracht, nestelde zich bovenop de aanslepende tandpijn. Net als de voorgaande nacht en de nacht ervoor, had ik bijna geen oog dichtgedaan. Vandaag was het reeds donderdag de 27ste, de uiterste datum van de gestelde termijn was daarmee bereikt! En pas om 8 uur ging het politiebureau open en om 17u reeds dicht. Ik werkte van 7u30 tot 16u30. Als er geen te grote file stond, kon ik het misschien wel halen want van het werk naar het politiebureau was het maar 25 kilometer rijden! Als ik goed gas gaf natuurlijk... maar wat dan met die geniepige flitscamera's? Moest ik me ziek melden? Ik had wel degelijk tandpijn. Aan enkele collega's had ik daarover mijn mond voorbij gesproken. Maar ze hadden er al eerder lucht van gekregen. “Ja, dat zal wel de reden zijn waarom je zo uit je bek stinkt! We hadden het je al willen zeggen” bracht de enige collega waarmee ik een zekere klik voelde me op de hoogte. Hij lachte niet mee met de anderen. Van deze mij bewezen dienst, kreeg ik een steek in mijn ziel en een rode kop. Of toch in extremis een halve dag verlof aanvragen? Ik werkte er nog niet zo lang en mijn baas was iemand zonder de minste humor. Waarom eigenlijk had de politie ervoor gekozen mij per aangetekende brief op de hoogte te brengen? Zo tijdrovend, kostelijk en omslachtig! Nochtans hadden ze, zo dacht ik te weten, mijn telefoonnummer... en eveneens mijn email-adres?
Dat is tegenwoordig de standaardvraag waarmee elk onderhoud met elke overheidsinstantie wordt afgehandeld of moet ik zeggen, beslecht? Ik had het hun bij herhaling meegegeven. Iedere keer weer hield ik er bij het verstrekken van deze gegevens een wat onbestemd, naar gevoel van over. Alsof er mij iets ontfutseld werd waarmee de dief alsnog staande kon worden gehouden aan de deur van zijn vermeend onderduikadres... Geen paniek op de Titanic! Ik beukte om 16u59 opgelucht de deur van het politiekantoor open. Ik had het gehaald ondanks de file, ondanks alles waarover ik me nodeloos zorgen had gemaakt. Met het betalen van een boete van nauwelijks 116 euro had ik zomaar eventjes 1884 euro bijeengespaard. De agent van dienst overhandigde me de nummerplaat en vroeg me waar mijn auto stond. “Kom maar mee”, zei hij. De agent van dienst die erbij stond met de handen geplant in zijn zij, zag erop toe hoe ik aan de slag ging met de nummerplaat. Na deze morgen, vandaag al voor de tweede keer en vanaf nu hopelijk nooit meer. Ik schroefde de nummerplaat in een handomdraai vast. En vaster, en nog vaster totdat mijn schroevendraaier met een klap uit de schroef schoot! “Die zit!” zei de agent terwijl hij me de rug toekeerde. Ik hoorde hem althans voor elke Vlaming, een overbekend wijsje fluiten: Was hij een bouwvakker, dan ik waarschijnlijk het zeldzaam mooie meisje uit “Daar gaat ze” van Clouseau. Ik kon aan mijn ballen voelen waar precies deze juiste vergelijking mank liep. Toen kwam vanuit een blinde hoek in alle hevigheid de tandpijn opzetten. De tijd drong.
Na het wachtmoment van de vals zingende antwoordrobot te hebben uitgezeten, werd ik door de één na de andere tandarts met een zo mogelijk nog triestiger deuntje teruggefloten: “Nee, het spijt ons ten zeerste maar we kunnen geen nieuwe patiënten aannemen, we zitten ei, ei-vol”. “Eivol dus!” Zo was het me op maandag-, dinsdag- en woensdagavond vergaan tijdens deze vermoeiende telefoonsessies na de soms even vermoeiende werkdag. Maar op donderdagavond om 5 voor 18u voltrok er zich echter iets merkwaardigs. Ik kreeg op een gegeven moment zowaar een mens van vlees en bloed aan de lijn en dat reeds na één tel van de bel. Toen ik was uitgesproken zei de vriendelijke vrouwenstem: “Een ogenblikje, ik pak er mijn agenda even bij”. En toen gebeurde het: “Jazeker! Ik heb inderdaad nog een plaatsje vrij!” Bij het aanhoren van deze verlossende woorden maakte mijn hart een vreugdesprongetje over wat de eindmeet van een marathon leek. “Heb je misschien op 31 augustus volgend jaar, dus in 2027, om 18u tijd?”
De gesmoorde hik in haar stem verried haar. Ik antwoordde op alles reeds voorbereid zo leek het wel: “Nee, dan ik heb wel iets beter te doen, om 18 u zet ik altijd de vuilniszakken buiten, net als zo meteen!” Met een droge “Sorry, echt niet!” legde ik af. Had het zin om je boos te maken? Toch smeet ik in een vlaag van razernij mijn voorbijgestreefde gsm door de kamer tegen de muur. Dat gebeurde de laatste tijd wel vaker. Ik wist dat mijn gsm, de zogezegde dumbphone in zijn schokbestendigheid de zogezegde smartphone vele malen overtrof. Toen ik hem opraapte, het schermpje met één oog dichtgeknepen van naderbij bekeek, stuurde ik mijn onverwoestbare gsm een boodschap dat één tel later op mijn adres met een bliepje werd afgeleverd. Ik las het over en wiste het daarna meteen. Wie ooit, mea culpa, de ochtend na een dronken nacht zijn verstuurde e-mails erop nalas, zal begrijpen waarom ik met het schaamrood op de wangen stond. Had ik dat wel geschreven? Dit was zó beneden de gordel! Daarop ontkurkte ik een frisse pint, nam een lange slok én nog maar eens een pijnstiller. Ik zette me gesterkt terug aan het werk. “Zoals altijd is het louter een kwestie van volhouden”, maakte ik mezelf wijs. Maar zo geraakte ik niet verder. Ik had nood aan een doordacht plan. Op een regionale kaart van West-Vlaanderen, die ik met vier magneten tegen een bord ophing, stond er algauw doorheen Roeselare en de aangrenzende gemeentes van Hooglede, Staden, Ardooie, Izegem, Moorslede, en steeds verder van huis, Kortemark, Lichtervelde, Torhout, Ingelmunster, Moorsele, Menen, Tielt, Waregem, Kortrijk, Brugge, Oostende met alle kustgemeenten een groot rood kruis. Al deze gewetenloze tandartsen hadden één voor één geweigerd om een persoon in nood te helpen. Ik dacht: “Schuldig verzuim en dat is bij wet strafbaar!” Met mijn rode stift in aanslag was ik goed bezig de tandartsen van Deerlijk aan het uitmoorden toen ik besefte dat ik in een korte tijd helemaal was geradicaliseerd. Zolang duurt het als het op alle vlakken tegenzit. Maar wat had beleefdheid, vriendelijkheid me tot nu toe opgeleverd? Ik werd behandeld als dezelfde vuilniszak die ik zei om 18u buiten te zetten. Al kijkend door het venster merkte ik hoe op een groene strook aan de overkant van de straat een aangelijnde Chichuaha nijdig blafte naar een veel grotere, loslopende hond. De Duitse herdershond kwispelde met de staart en deinsde terug in de richting van zijn baasje die met grote passen kwam aangesneld. Van hieruit gezien, leek die man zich in gebarentaal te verontschuldigen voor zijn ongeoorloofde losbandigheid. Toen kreeg ik een ingeving die op het moment zelf helemaal niet zo vergezocht leek: Als ik nu eens koos voor de aanval en er een rechtszaak van maakte? Je zou toch voor minder!
Een rechtszaak die algemeen werd opgepikt door de pers, dat was wel te verstaan een eerste vereiste. Welke bekende ezel was mediageil genoeg om zich voor mijn karretje te laten spannen? En stel dat de rechter in kwestie, op de morgen van de geruchtmakende zaak opgestaan was met hevige tandpijn? Onwaarschijnlijk... maar waarom ook niet want tenslotte was ook hij maar een mens van vlees en bloed! Moeder Natuur had hem gezegend met een gebit van niet minder dan 32 tanden. Hoe langer ik stilstond bij het getal 32, hoe hoger ik mijn kansen begon in te schatten. Dat hoopgevende gevoel kon en mocht ik niet laten schieten. Ik was iets op het spoor! Ik voelde het. Maar wat? Er zat misschien toch iets van realiteitszin in mijn van fantasie bol geblazen wensballonnetje dat ik verder en verder zag wegdrijven tot het hoog boven de wolken uit mijn zicht verdween. Ik hield me eraan vast als een strohalm. Wie weet waarheen de gedachtenstroom die me voortstuwde me zou leiden, waar precies zou dat luchtschip stranden? Make a wish! Vooruit dan maar!
Aan mijn wensballon had ik een ommetje gemaakt naar de plaats waar ik nu mezelf zag zitten: helemaal vooraan, op de eerste rij van de rechtbank met naast mij, de inderhaast ter hulp geschoten advokaat Walter Damen en achter mij, de overvolle zaal met ondermeer het schoon volk van de verzamelde nationale pers en een enkele bekende kop. Het was enkele minuten voor 10 uur. Ik had ervoor gezorgd dat ook Gert Verhulst prominent aanwezig was op de dag van de zitting. Toen ik even over mijn schouder de zaal inkeek, zag ik deze “golden boy” nog vlug, vlug een handtekening uitdelen. Hij wou liever niet gestoord worden maar de roem stelt zijn eisen. Een schuchter glimlachende dame had een T-shirt aan met vooraan de drie meisjes van de eerste K3 en toen ze zich omdraaide, herkende ik Samson, de inmiddels dode hond van Gert. Waarschijnlijk een die-hard fan van naar schatting ongeveer dertig jaar die met de paplepel in de mond, Gert en zijn trawanten had ingeslikt en daarvan nu nog de zichtbare gevolgen droeg. Ik was er ondanks alles, niet helemaal gerust in. Helemaal niet eigenlijk. Waar was ik aan begonnen? Kon ik maar terug! Onmogelijk... Ik voelde me uitgeput van het door de weken heen bijeen gesprokkeld slaaptekort. Toen ik deze nacht om 4 uur mijn laptop openklapte en ChatGPT activeerde om een middeltje te vinden tegen tandpijn, kreeg ik uit het niets te maken met een opdringerige AI-assistente. Zij stelde zich voor als “Lumina”. Ik legde haar mijn zorgen voor op basis van mijn spaarzaam ingegeven kernwoordjes-rechtszaak Schuldig Verzuim, Tandarts vs patiënt, tandpijn.
Zó en niet anders was de bal aan het rollen gegaan, ik zweer het! Lumina zei me na de prettige kennismaking: “Heb vertrouwen, vriend en ik help je uit de nood”! En ik kon toch niet slapen. Lumina waarschuwde me dat de door mij aangespannen rechtszaak voor “Schuldig Verzuim” tegen “Het Verbond van Vlaamse tandartsen” bij voorbaat een verloren zaak was. Immers, van “Schuldig Verzuim” kon er pas sprake zijn als er aan een aantal specifieke voorwaarden werd voldaan. “Schuldig verzuim” wordt wettelijk gedefinieerd als het strafbaar nalaten om hulp te bieden aan iemand die in een situatie van acuut, groot gevaar verkeert. Lumina wees me erop dat het schoentje pas goed begon te wringen bij het criterium van “acuut, groot levensgevaar”. Lumina vroeg me op de man af of ik werkelijk, écht, in “acuut, groot levensgevaar” verkeerde toen deze tandartsen willens nillens, weigerden om mij hulp te verlenen? Ik antwoordde daarop: “Maar allé, Lumina... Nee, natuurlijk niet.. Ten eerste lieten ze me op één uitzondering na, nooit uitspreken. En ten tweede, de helse tandpijn voelde en voelt wel zo aan... Dat komt toch een beetje op hetzelfde neer zeker?! Lumina zei me kortaf dat ik er niet zou komen met “een beetje”. “Robbie, de rechtbank is geen liefdadigheidsinstelling, hoor!” Lumina begon me nu al bij mijn voornaam te noemen ook. Ik dacht bij mezelf: “Wat heb ik het getroffen met mijn persoonlijke AI-assistente, deze voortreffelijke Lumina, ze was me er ééntje!” Lumina raadde het me voor de tweede keer al, ten strengste af. Ik zou er niet goed uitkomen. Lumina vervolgde: “Integendeel zelfs, de kans is heel groot dat je een schadevergoeding zal moeten betalen indien de rechter op aangeven van de tegenpartij mocht oordelen dat de aangespannen zaak “Tergend en Roekeloos” is. Daarop, neem het maar van mij aan, daarop zal het uitlopen! Pas toch op, Robbie! En de schade-vergoeding is niet min hoor, het bedrag kan oplopen tot duizenden euros!” Ik vroeg Lumina wat ze juist bedoelde met “Tergend en Roekeloos”? “Wel, mijn beste Robbie, de term “Tergend en Roekeloos” is van toepassing indien de aanklager, jij dus, de rechtszaak lichtzinnig heeft aangegaan vooraf goed wetende dat de zaak geen enkele kans op slagen had”. Ze draaide verder de duimschroeven aan: Nu je dit allemaal weet, ben je dan niet “Roekeloos” te werk gegaan, Robbie?” Dat alles legde Lumina me geduldig uit, ze voegde eraan toe dat ze het ook allemaal erg spijtig vond. Ze zei: “Ik zou niet graag in je schoenen staan, hoor...” Ik had het er ondertussen echt warm van gekregen. Ik vroeg Lumina om toch iets te bedenken? Please! Komaan zeg! Ik zei dat het wat mijzelf betrof een zaak van leven of dood was.
Eigenlijk had ik geen behoefte aan een schadevergoeding. Zelfs vijf euro vond ik al vijf euro teveel. En binnen een aantal uur was het al zover, dan kwam de zaak voor, om 10 uur al! Na enkele seconden kwam Lumina op de proppen met een idee waarmee ze haar voornaam alle eer aandeed want het idee mocht inderdaad lumineus genoemd worden. Als het werkte... Zó en niet anders is het gegaan, ik zweer het! Lumina vroeg me daarop of ik toevallig in het bezit was van een 3D-printer? “Jazeker, Lumina, nu dat je het zegt!” De 3D-printer die nog in de verpakking zat, haalde ik op haar aangeven met twee trappen tegelijk van zolder. Deze 3D-printer kwam dan toch nog van pas. Eindelijk, zeg wel! Lumina had in geen tijd een ontwerp bijeengetoverd. Ze legde me uit hoe een 3D-printer werkte en begeleidde me daarbij stap voor stap. Haar AI-data bracht ik met een USB-kabeltje van de laptop over naar de printer. Lumina zei nadat ik de rol plastieken draad, de zogeheten filament, aan de 3D-printer had aangesloten: “Druk maar op “Start”, Robbie, daar gaan we!” Spoedig werd er niet zoals bij een gewone printer inkt uit een cartridge op een blad gespoten, maar plastiek. Beetje bij beetje werd het filament van de spoel afgerold om eens voldoende verhit, in vloeibaar vorm uit de heen en weer schietende printkop op het printbed neer te druppelen. Ik zag wat Lumina trots de “Pijn-Score-Machine” had genoemd, laag na laag voor mijn ogen groeien en bloeien. Deze machine kwam tot volle wasdom als een bloem die even uniek als onaards met wat regendruppels en een sprankeltje zonlicht pijlsnel uit zijn pot klimt. Achteraf bekeken, had ik ten behoeve van het nageslacht, deze geboorte beter vastgelegd op camera maar het ging allemaal te snel! Te laat. Het was zelfs voor mij, een leek die van techniek niet de eerste letter begreep, een koud kunstje. Wat door specialisten in het wereldje zo vaak werd beweerd, geloofde ik pas toen ik het zag gebeuren: een 3D-printer kan gewoonweg “ALLES” printen! Het resultaat mocht er zijn. Het nog warme toestelletje lag even makkelijk in de hand als een dure smartphone. Alleen van dichtbij kon je het verschil zien aan het logo op de achterkant: een doodskop met daarin de initialen P.S.M. gegraveerd. Kortweg PSM, omdat “PijnScoreMachine” niet bekte én zodanig lang dat het voluit, alleen voor een spelletje Scrabble van enige goudwaarde had kunnen zijn. En zelfs dàt niet want het ging hier voorlopig slechts om een ontbreekwoord dat de Dikke Vandaele met alles wat hij nu dacht te weten, hoofschuddend zou afkeuren. Het hebbedingetje werkte op twee oplaadbare batterijen van de Action-winkel, dus spotgoedkoop. Weg met al die dure lithiumbatterijen!
Ook qua bediening was het toestel één en al gebruiksvriendelijkheid: Het enige dat vereist bleek, was het intikken van simpelweg de volledige naam van het slachtoffer en zijn officieel adres, een beetje zoals bij een ouderwetse Tom-Tom, de correcte GPS-coördinaten. Zelfs van een pi(j)ncode, wachtwoord of vingerafdruk tot ontsleuteling van het systeem was er geen sprake. Je hoefde het plastieken niemendalletje slechts twee maal snél na elkaar heen en weer te schudden om het met een “Bliepje” aan de praat te krijgen. Het machientje zou, althans volgens wat mijn AI-assistente stellig beweerde, ook op langere afstand werken op voorwaarde dat het toestel naar de juiste windrichting was ingesteld. Lumina gaf daarbij een sprekend voorbeeld: “Draai de naald niet naar het Noorden als je iemand die bijvoorbeeld op vakantie is in Benidorm, op het oog hebt”. Alleen dan was de straling die van het machientje uitging, bij machte om zijn doel te bereiken. Volgens haar tot in de verste uithoek van het buitenland van je keuze, zelfs tot in Australië toe, maar dat zou ik nog moeten zien. Ik geloofde inderdaad niet alles wat Lumina me op de mouw spelde. Deze PSM met al zijn functionaliteiten kwam zo verrassend uit de hoek dat ik even vergat hoe laat het was. Het was vijf voor vijf, de eerste schemering hing al in de lucht. De PSM zou, alles in de voorwaardelijke wijs, niet alleen in staat zijn om met een draai aan een handig knopje, tandpijn met een score van één tot tien op te wekken. Het toestelletje voorzag, als je de tijd nam om van A tot Z door het keuzemenu te scrollen, in tal van andere mogelijkheden. Het begon al goed bij de A van ondermeer Anemie of Astma, bij de D kwam je, ik zeg zomaar iets, bijvoorbeeld uit op Diarree, Dystrofie, Downsyndroom en bij de Z kon je als je dat wou, Zika, Ziekte van Bechterew, Zenuwpijn (allerhande) of helemaal achteraan zelfs Zelfmoord selecteren etc... Maar daar had ik die Lumina helemaal niet om gevraagd! Dit was er los over. Zij was haar boekje te buiten gegaan en toen ik haar met een lichtjes geërgerde stem op het matje riep, trok ze zich vliegensvlug terug in haar universum, als op de staart getrapt. Ik zei nog “Lumina, Lumina, Luminaatje? Mevrouw trok er blijkbaar haar handen van af. Zo kon ik het ook. Daar stond ik dan met mijn spiksplinternieuwe PSM, een wonder van spitstechnologie! Toen ging de telefoon over. Het was Walter Damen himself en dat om 5 uur in de morgen!
Aldus stonden de zaken ervoor op het moment waarop de rechter uit de coulissen verscheen. Het was ondertussen precies 10 uur, zo'n 5 uur later. De rechter bevoegd voor de ophefmakende zaak, wachtte even tot het geroezemoes ging liggen.
Dan verhief de rechter zijn stem: “Bij deze verklaar ik de zaak, Robbie Vanneste versus Het Verbond van Vlaamse Tandartsen officieel voor geopend”. De hamerslag die daarop volgde, weergalmde in de muisstille zaal. Wat voelde het vreemd aan om mijn naam door te micro te horen kraken! Ik keek er even van op want ik was nog volop in de weer om alle broodnodige gegevens in te tikken: de onmogelijke naam van de rechter in kwestie, een zekere Maximiliaan Vancleynbruggen, het juiste adres met de straat, Terlindenstraat, nummer 537, postcode, 9000 Gent, land, België. Na heel wat gescroll langs het keuzemenu kreeg ik met “Tandpijn” uiteindelijk ook de juiste optie te pakken. Mijn PSM stond zo goed als op scherp. Maar ik wist niet meteen welke pijnscore in dit geval aangewezen was. Het was ook voor mij de eerste keer. Ik bleef twijfelen dus zette ik de rode, uiterst gevoelige calibratienaald op een voorzichtige, zeg maar flauwe beginscore van 1.589! Zodoende had ik nog genoeg marge achter de hand voor het geval dat... Met rechters weet je het immers nooit! Op het scherm verscheen “Ok?” Ik was besluiteloos en leek de hemel om uitstel te vragen door mijn GSM van de eerste generatie, een oude Erickson nog, zij aan zij naast de geavanceerde PSM te leggen. Alleen uiterlijk gezien waren deze toestelletjes nog nauw aan elkaar verwant. Karakterieel verschilden ze evenveel van elkaar als de betrouwbare, eerlijke werkhond die een valse, gemene vechtmachine ter wereld heeft gebracht op commando van de ene ondoordachte kruising na de andere. Ik was me er sterk van bewust dat de allereerste testfase op het punt stond te beginnen. Nu nog gewoon op “Ok?” duwen en bevestigen maar! Dat durfde ik niet. Mijn AI-assistente, die Lumina was met de noorderzon verdwenen, zomaar zonder boe of ba. Verdacht! Nog een reden waarom ik er niet helemaal gerust in was. Helemaal niet eigenlijk! Zou het machientje wel werken en indien van wel, zou het prototype niet onderhevig zijn aan de daarmee verbonden kinderziektes? Dat was nog maar de vraag. Ik luisterde naar mijn advokaat, Walter die het woord had gekregen. Ik had mijn lot tot op zekere hoogte in zijn handen gelegd. De PSM met op het schermpje de vraag “Ok? probeerde ik te negeren. Walter vloog er meteen in. Hij schetste in het kort de situatie. “Jazeker”, zei Walter, “er is hier wel degelijk sprake van “Schuldig Verzuim” en wél om volgende redenen!” Hij schuwde daarbij de grote woorden niet. “Schande!” was er één van die regelmatig terugkwam. Ik kreeg het gevoel dat de zaal uit zijn hand at. Nadat hij was uitgeraasd, overhandigde ik hem een lijst met familienamen gerangschikt in alfabetische volgorde van gemeente, te beginnen met de “A” van Alveringem.
Er waren niet minder dan 981 Vlaamse tandartsen gedagvaard. Bijna evenveel als door mij vruchteloos gecontacteerd. Walter begon aan zijn voorleesronde. Hij zat een klein half uur later pas aan de gedagvaarde tandarts Breemeersch uit Izegem toen ik aan het opstijgend geroezemoes, merkte dat de aandacht in de zaal serieus begon te verslappen. Eigenlijk al een tijdje. Ook de knikkebollende rechter was van het uitgestippelde pad afgedwaald. Dat mocht ik niet laten gebeuren. Ik hield de ogen strak gericht op het gezicht van de rechter toen ik uiteindelijk toch op “OK?” durfde te duwen. De man bleef echter knikkebollen waarop ik in paniek schoot. Het was me duidelijk dat het toestelletje niet werkte. Of lag het aan mezelf? Er zat niets anders op dan alle ingebrachte gegevens te annuleren en van vooraf aan te beginnen! Waar zat de fout? Lag het aan de familienaam van de rechter? Ja, waarschijnlijk wel... De juiste spelling was wel degelijk “Van Cleynbruggen” en dus niet zoals ik verkeerdelijk had ingetikt “Vancleynbruggen”. Zo stom! Misschien omdat ik nog boos was op mezelf voor deze blunder, zette ik de PSM op een beginpijnscore van 6.928! Daarna drukte ik zonder verder aarzelen op de knop “Ok?”. Er weerklonk een ijselijke kreet: “Ai, ai, ai!” Iedereen keek naar de rechter die zojuist met zijn getier doorheen de micro het geroezemoes had doen verstommen. Ook Walter Damen was er stil van geworden. Hij stond in een afwachtende houding te loeren naar de rechter in kwestie. Rechter Van Cleynbruggen hield zijn hand tegen de kaak, de ogen gesloten, het gezicht vertrokken tot een grimas. Ik was zo geschrokken dat ik vrijwel onmiddellijk het rode wijzertje terug naar 0.412 draaide. De rechter herpakte zich en zei tegen Walter, duidelijk geërgerd: “Je tijd is om, genoeg daarvan, we snappen het plaatje ondertussen! Ik geef nu ter verdediging het woord aan de vertegenwoordiger van de tegenpartij, Het Verbond van Vlaamse Tandartsen, aan meester Van Keirsbilck. Ga je gang maar meester... Wat heb je hier tegen in te brengen?” Meester Van Keirsbilck verscheen fluks ten tonele op de plaats van Walter Damen. Hij was een eerder kleine, gedrongen man in het bezit van een welluidende, krachtige stem. Op zijn neus, droeg hij een grote, vierkantige bril helemaal naar de laatste mode. Hij begon sterk, nog net niet met de voeten vooruit:
“Edelachtbare, deze zaak is te stom voor woorden, wat zeg ik: het is een farce! Er kan in de verste verte geen sprake zijn van “Schuldig verzuim”, integendeel! Iedereen, ook de aanklager meneer Vanneste, weet maar al te goed dat de agenda van de tandartsen tegenwoordig gewoonweg ei-ei- maar dan ook ei-vol zit.
Het merendeel van mijn cliënten draait zelfs overuren maar er is nu éénmaal geen houden aan. Het is vechten tegen de bierkaai! We zijn met veel te weinig. Vandaag de dag wordt er zoveel gepalaberd over het begrip “Work-life-balance”. Iedereen heeft er de mond van vol en waarom? Welnu, heeft een tandarts na zijn drukke werkdag geen recht op een zo schaars, een éénmalig, rustig avondje met moeder, de vrouw? Om te ontspannen van de ondraaglijke stress? Is het normaal dat mijn cliënten, al deze hardwerkende mensen het iedere dag weer, verplicht zijn het zo laat te maken? Wie eet er graag elke dag eten uit de microgolf? Wat moet je op den duur nog zeggen ter verontschuldiging aan het vrouwtje als je afgepeigerd van het harde werk eindelijk thuis bent geraakt? ”Sorry, schatje, ja, ik heb het beloofd, ik weet het, maar het is nu echt wel de laatste keer!” Dat blijft niet pakken hoor! Is het hem, de tandarts dan verboden om eens in de week, zijn kinderen om 21 uur in bed te stoppen zoals ieder ander goed ouder? Mag hij ook eens dat al lang beloofde verhaaltje voorlezen? Leg dat maar eens uit aan je verwaarloosd kind, leg het maar uit aan je partner die er voor alles alleen voor staat! Moederziel alleen! De kinderen moeten op tijd worden afgehaald van school, en ja, ons Mieke moet nog naar de dansles, ons Jantje naar het voetbal, en wat met Rikkie die naar de muziekles wil, alsjeblief zeg! Hoe hou je het vol? Want laat ik duidelijk zijn: De tandarts ziet ook graag zijn kinderen net als iedereen hier in de zaal of niet soms?” Er weerklonk instemmend geroezemoes en ook de rechter knikte. Meester Vankeirsbilck die zich op zijn hakken even in de richting van de luidruchtige zaal had gedraaid, ging voort op zijn elan in de hoop rechter Van Cleynbruggen volledig murw te slaan. “Wie doet de boodschappen, wie staat in voor de was en de plas, kortom op wiens schouders komt de last van het o zo onderschatte huishouden terecht, denk je?! Waar gaan we naartoe, in hemelsnaam! Er zijn al scheidingen genoeg, me dunkt! Rechter Van Cleynbruggen liet zijn hamer een paar keer kort na elkaar stuiteren en zei: “Stilte in de zaal, allemachtig mensen, komaan stilte en hou jullie manieren!” Ik wist: “Als ik nu niets onderneem, gaat dit helemaal de verkeerde kant uit.” Ik verkocht Rechter Van Cleynbruggen met een plotse draai aan het handig knopje een pijnscheut van jewelste. Het was enkel bedoeld als waarschuwing. Er zat echt niets meer achter. Ik had met hem te doen. Het ging hier wel degelijk om een zwieper van 7.444 op mijn PSM. Niet langer dan een halve seconde!
Ik hoorde weer hoe hij “Ai, Ai, Ai,” in de micro schreeuwde, sloeg daarna vliegensvlug zijn gegevens op in het geheugen en concentreerde me op de input van de gegevens van een nieuw slachtoffer, die van voornaam“Harry”, familienaam“Vankeirsbilck”, desbetreffende straatnaam “Gouden Hoofdstraat” met nummer “62”, postcode “1742” te Sint-Katarina-Lombeek. De stad waar deze advokaat was gehuisvest, hoefde ik gelukkig niet in te tikken. De stadsnaam verscheen automatisch op het schermpje dankzij de link met de postcode. Handig! Vooraf had ik natuurlijk alle in te voeren gegevens opgezocht of wat dacht je? Ik slalomde voorbij alle 700 plagen van Egypte en kreeg uiteindelijk “Tandpijn” in het vizier. Welke pijnscore? Weer sloeg de twijfel toe terwijl ik met één oor naar zijn redevoering luisterde. Hij ging hard. Meester Van Keirsbilck had ondertussen het geweer van schouder veranderd. “Het is een echte schande! En ik zal jullie zeggen waarom. Deze zaak had helemaal niet gehoeven! Dat weet toch iedereen met een klein beetje gezond verstand in zijn kop! Het gerecht is zo al overbelast en dan komt die meneer Vanneste af met zo een pietluttigheid! Weet u, edelachtbare, dat mijnheer Vanneste, hiermee niet aan zijn proefstuk toe is? In 2010 presteerde meneer Vanneste het om een zaak aan te vatten tegen notabene de RVA en weet je waarom? Vanwege een aangetekende brief! Ja, u hoort het goed!” Blijkbaar speelt Meneer Vanneste graag met het belastinggeld van de hardwerkende Vlaming want wie denk je dat er in dat geval heeft opgedraaid voor de gerechtskosten? Ja, juist, de staat, ieder van jullie, dus jij, jij en jij! Meester Vankeirsbilck had zich vliegensvlug rond zijn as gedraaid en wees willekeurig drie mensen uit het publiek aan. Aan het gemor te horen, had meester Vankeirsbilck met zijn laatste argument een gevoelige snaar weten te raken. “Akkoord, misschien heeft meneer Vanneste wel een blanco strafblad maar een lieverdje is hij niet, hoor! Hij is een recidivist van het zuiverste water! Ik weet uit goede bron dat hij door de jaren heen 258 parkeerboetes en 33 snelheidsovertredingen op zijn palmares heeft! Alsjeblief! Er is geen zeggen aan!” Dat voelde aan als een grove leugen. Ik kon ook rekenen. Mocht ik de parkeerbonnetjes plus aanverwanten naast elkaar leggen op de tijdslijn van moment van afgifte rijbewijs tot op heden kon je deze elkaar overlappende reeks beschouwen als welgeteld één lange boete. En ik had die éne boete betaald, so what? Er ontstond rumoer in de zaal. Van Cleynbruggen zag zich verplicht om zijn hamertje boven te halen. Hij riep uit: “Mensen, in godsnaam, het is hier geen café!” Ik keek vlug even opzij naar Walter Damen, mijn advokaat, die hoofdschuddend druk bezig was met het nemen van notities.
Maar wat hadden mijn parkeerboetes en de RVA er eigenlijk mee te maken?! Zo kan je alles verklaren! Ik begon te koken. Gelukkig onderbrak de rechter het pleidooi van meester Vankeirsbilck. Hij vroeg hem streng waar hij daarmee naartoe wilde? “Wel, edelachtbare, uit dit alles, uit zulk gedrag spreekt niet anders dan verregaande lichtzinnigheid net zoals in deze zaak. Je kan je de vraag stellen: “Heeft meneer Vanneste deze zaak aanhangig gemaakt uit lichtzinnigheid? Jazeker! Gaf hij daarbij blijk van “Roekeloosheid”? Jazeker! Kortom, edelachtbare, voor mij is het duidelijk. Er kan geen sprake zijn van “Schuldig Verzuim” maar van wel iets heel anders, luister! In naam van al mijn cliënten, de 981 hardwerkende tandartsen, die ik mag vertegenwoordigen vraag ik u deze zaak te kwalificeren als “Tergend en Roekeloos”! Ik dacht bij mezelf: “O, nee, daar had je het grote woord waar Lumina me zo voor had gewaarschuwd!” Ik moest redden wat er te redden viel want dit feestje begon er beroerd uit te zien. Meester Vankeirsbilck vervolgde triomfantelijk: “Daarom vraag ik een schadevergoeding aan van...” Toen duwde ik op “Ok?”. Mijn PSM stond afgesteld op een hoge pijnscore van 8,822 vanwege zijn hardnekkige verdraaiingen van de feiten. Wederom weerklonk er in de muisstille zaal een schreeuw die door merg en been ging. Meester Vankeirsbilck was helemaal ineengekrompen, zijn twee handen pletten zijn hoofd zo fijn dat zijn bril van zijn neus kletterde. Zijn hoofd dat in een vingerknip knalrood aangelopen was, schudde op en neer zoals de boksbal van de boksmachine op de kermis na de uitgedeelde tik. Hij strompelde achteruit en liet zich zakken in zijn stoel. Weer had ik met hem te doen maar... ik kon niet anders! Het publiek stond in rep en roer want het was inderdaad, ook voor mij die aan de knoppen zat, een eigenaardige maar boeiende vertoning. Rechter Vancleynbruggen die begrijpelijkerwijze van zijn à propos was, vroeg hem toen in de zaal de rust enigszins was weergekeerd, wat er juist aan scheelde? De advokaat antwoordde niet. “Meester Vankeirsbilck, U maakte daarjuist nog gewag van iets, iets over een schadevergoeding als ik het goed heb... Kunt u dit herhalen?” Meester Vankeirsbilck keek niet op maar deed teken met zijn handen. Het gebaar kwam over als “Laat vallen, laat vallen!” De rechtszaak was in een stroomversnelling geraakt. Het was reeds tijd voor de zogenaamde “Replieken”. Walter Damen kwam als eerste terug aan de beurt. Daar ging hij! “Edelachtbare, mag ik eerlijk zijn? Er was geen haar op mijn hoofd die eraan dacht om deze zaak op mij te nemen. Ik had er in eerste instantie hartelijk voor bedankt. Heel hartelijk zelfs!
Ik zal je verklappen waarom ik er plots zeker van was dat mijn cliënt niet zo lichtzinnig, niet zo roekeloos was als meester Vankeirsbilck en ik geef toe, ook ikzelf, ervan uit gingen. Nee, mijn cliënt hier, is niet over één nacht ijs gegaan. Zijn klacht van “Schuldig Verzuim” is meer dan gegrond als je even de moeite neemt om het plaatje in zijn geheel te bekijken. Je moet weten dat mijn cliënt al een hele tijd rondloopt met zelfmoordplannen vanwege de tandpijn, de vele slapeloze nachten die hem hebben verzwakt. Hij is slechts een schim van zichzelf! Kan er met dit in het achterhoofd, sprake zijn van de voorwaarde “acuut, groot levensgevaar” toen mijn cliënt keer op keer werd afgewezen terwijl al die tandartsen maar al te goed wisten hoe de vork aan de steel zat? Meester Vankeirsbilck zal ongetwijfeld beweren van niet maar ik zeg je: JAZEKER! Want mijn cliënt balanceert al maanden op de rand van de afgrond, op ieder moment kon hij overgaan tot deze noodlottige daad dus hoe acuut kan acuut zijn, hoe groot moet levensgevaar dan wel worden?” Maar mijn cliënt daar is een echte overlever, steeds zoekt hij naar een uitweg. Walter Damen wees naar mij. Dat ik rondliep met van die zelfmoordgedachten was een serieuze overdrijving. Ik had het nog nooit zo bekeken maar ik was dan ook geen geniale advokaat. Meester Vankeirsbilck die ik ondertussen helemaal pijnvrij had gemaakt, liet ostentatief een misprijzende lach horen. Er was meer nodig om deze Walter van de wijs te brengen. “Edelachtbare, kent u de film “Cast away” met Tom Hanks in de hoofdrol? Misschien heeft U gisterenavond net als ik, deze film bekeken op televisie?” Van Cleynbruggen knikte. “Nee, gisteren niet... maar de titel van deze film zegt me vaag wel iets, misschien heb ik hem in een ver verleden ooit nog gezien. Waarom?” Walter zweeg even om het publiek de tijd te geven om op adem te komen en bij zichzelf te rade te gaan... De zoveelste herhaling van deze klassieker viel gisteren inderdaad nog te bewonderen op VTM maar ik had deze prachtfilm door de jaren heen al zeker vijf keer gezien. Ik kende hem van buiten en van binnen. Maar het verhaal klinkt toch nog even anders als je het hoort uit de mond van een vakman. Walter vond het nodig om de film nader toe te lichten waarschijnlijk meer uit strategie dan om het geheugen van de rechter op te frissen. Iedereen spitste de oren toen Walter van wal stak: “De fantastische Tom Hanks speelt de rol van een Fedex-koerier die er notabene op kerstavond op uit wordt gestuurd om een pakje af te leveren in Maleisië. De kijker thuis komt voor het eerst aan de weet dat Tom tandproblemen heeft als hij tijdens het kerstdiner op iets hard bijt maar hij slaat er verder geen acht op: de plicht roept luider!
Tom moet met spijt in het hart afscheid nemen van zijn vriendin. Pas op oudejaar, als hij weer terug thuis is, mag ze het haar geschonken kistje met daarin de verlovingsring openen. Wat als een melodrama aanvangt, ontwikkelt zich tot een survivalfilm wanneer zijn vliegtuig neerstort in de Stille Oceaan en hij als enige overlevende aanspoelt op een onbewoond eiland. De redding waar hij in het begin nog in gelooft, blijft uit. Noodgedwongen leert hij vuur te maken met een bamboestok. Ook leert hij vissen vangen met een stok waarvan hij de punt scherpt aan het mes van een ijsschaats. Deze schaats zat verborgen in één van de vele Fedex-pakketjes die geregeld op het strand komen aangespoeld. De dagen worden weken, de weken maanden, de maanden jaren. Tom Hanks heeft ondertussen van een grot zijn huisje gemaakt. Hij heeft alle hoop opgegeven en zich geschikt in de uitzichtloze situatie. Op een zekere avond, wanneer er een storm in alle hevigheid losbarst, overdenkt hij nog maar eens waar het lot hem heeft gebracht. In de beschutting van zijn grot, terwijl de donder en bliksem boven zijn hoofd kletteren, voert hij ellenlange, geanimeerde gesprekken met zijn enige vriend Wilson, de met zijn bloed beschilderde volleybal. Tegen Wilson die hem met zijn eeuwige grijns aanstaart, kan hij immers alles kwijt. Hij weet zich op te trekken aan de klank van zijn eigen stem anders wordt hij helemaal zot. Niet alleen uit isolement maar hoe langer, hoe meer ook van tandpijn. De al zo lang aanslepende tandpijn is ondraaglijk geworden en nu, beste luisteraar kom ik tot mijn punt.” Toen onderbrak Rechter Vancleynbruggen hem: “Dat werd dan hoog tijd, meester Damen en ja ik heb die film gezien, het schiet me nu weer te binnen! Maak het kort alsjeblief!” Ik had zo een vermoeden waar mijn advokaat, deze rasverteller naar toe wilde. Terwijl ik aanschouwde hoe Walter deed alsof hij de rechter niet had gehoord, hij bleef immers talmen, kreeg ik een idee. Walter hield zijn publiek nog even in spanning door in het rond te kijken als op zoek naar de draad die hij kwijt was gespeeld. Doorheen de zaal klonk de zucht om meer. “Hopelijk zien jullie het tafereel voor je zoals ik het zie? De regen stort bij bakken tegelijk uit de lucht, het dondert en het bliksemt! De grot met zijn hebben en houden komt in het volle licht van deze flitsende schijnwerper te staan. Waar is de koffiezet, de microgolf, het plasmascherm, denk je? De kijker thuis krijgt inzage in de agenda die zonder een dag over te slaan tegen de rotswand met een krijtje werd bijgehouden. Vier jaar heeft Tom er ondertussen al op zitten! Deze moderne Robinson Crusoë heeft alles overleefd maar nu wordt het hem teveel door die tandpijn.
Tom begint zich van alles in het hoofd te halen. Hij begint spoken te zien. Kortom, de man is ten einde raad. Hij is tot het uiterste GETERGD en daardoor ROEKELOOS geworden.” Na de klemtoon op de woordjes “getergd” en “roekeloos” gelegd te hebben, stopte Walter Damen even zijn betoog. Hij nam de tijd om deze kei uit de schietlap te laten bezinken. De zaal zuchtte, de rechter keek er even van op, meester Vankeirsbilck liet een beteuterd gezicht zien. De advokaat van Het Verbond was er zich van bewust dat Walter met zijn eigen interpretatie van de kwalificatie “de zaak is tergend en roekeloos”, het gras van voor zijn voeten had weggemaaid. Walter hervatte waar hij was gebleven. “En wat doet Tom uiteindelijk bij gebrek aan een tandarts? Hij grijpt naar een zware kei en met zijn andere hand naar die ijsschaats. Het ene uiteinde van het ijzeren mes zet hij tegen zijn pijnlijke kies! Je ziet gewoon aan zijn gezicht dat Tom niet wil geloven wat die andere hand met de kei van plan is. Ja, Edelachtbare, beste mensen in de zaal, dit is wat ervan komt!” Walter had zich plots naar zijn publiek gedraaid. Hij hield in zijn hand een denkbeeldige ijsschaats tegen zijn opengesperde mond geklemd en zwaaide gevaarlijk met in zijn andere, even lege hand die zware kei in de richting van het andere uiteinde van de ijsschaats. Ieder aanwezige in de zaal, onder hen de gevoelige kijker die erbij zat met de ogen stijf gesloten, zag het aankomen. Walter telde af met zijn mond vol ijsschaats: “Het ging van je één, van je twee, het ging van je drie, van je VIER! Daarop had ik geduldig gewacht om op “OK?” te duwen. Zoals reeds gezegd, ik kende die film van buiten en van binnen. De inderdaad zó gebruiksvriendelijke PMS stond reeds op scherp met een pijnscore van 9,333 en dat was precies wat Rechter Van Cleynbruggen voelde toen hij zonder ook maar één kik te geven als door een veer gedreven uit zijn stoel schoot, over de rechtbank heen rolde om uiteindelijk naast de reeds gevelde Walter Damen stuiptrekkend tot stilstand te komen. De ene was totaal verrast en sprong fluks recht, de andere was totaal bewusteloos en bleef uitgeteld liggen net zoals Tom Hanks in de film. Heel de zaal stond op zijn kop. Wat was er hier toch gaande? Ook ik kon een luide schreeuw niet onderdrukken bij het aanschouwen van deze massieve lichamen die bijna gelijktijdig door het luchtruim kwamen gezeild. “Had ik de rechter vermoord?” De PSM stond al lang weer op 0,000 maar de rechter verroerde nog altijd niet. Walter pletste een glas water in het gezicht van de rechter en gelukkig, gelukkig kwam hij daarvan bij. Walter trok hem terug op de been. Onder begeleiding van aan de ene kant meester Damen en aan de andere kant meester Vankeirsbilck, werd de rechter terug op zijn stoel gehesen.
De rechter keek verdwaasd in het rond maar vond toch nog de kracht en de tegenwoordigheid van geest om in de micro de luidruchtige zaal op de hoogte te brengen van zijn beslissing. Hij stamelde: “De zaak wordt opgeschort tot na de pauze en dan kom ik terug om uitspraak te doen over heel deze zaak, dit smerig boeltje! Pauze!” Walter Damen keek verrast. Dit was niet de normale gang van zaken! Helemaal niet! Meester Vankeirsbilck had zoals de wet het voorziet, nog recht op zijn beurt tot repliek. Pas daarna mocht er overgegaan worden tot het vellen van een geldig vonnis! Om dat te weten, hoefde je geen advokaat van het eerste knoopgat te zijn. Dit was een schoolvoorbeeld van een procedurefout. Hiermee viel of stond alles! Meester Damen hield de ogen angstvallig gericht op zijn concullega, meester Vankeirsbilck. Maar Meester Vankeirsbilck, een man van nochtans vele oorlogen, liet de kip met de gouden eieren aan zijn neus voorbijgaan. Walter zag hem verdwijnen tussen het volk op de snel dichtslibbende middengang. Hij schuwde daarbij de ellebogen niet. Ik had hem erop uit gestuurd naar het toilet toen ik “Diarree” had geselecteerd en bij een score van 3,333 fluks op “Ok?” had geduwd. De kans zat er dik in dat meester Vankeirsbilck vandaag niet meer op het appel zou verschijnen. Walter kwam naast mij zitten. Hij sprak in zijn hand zoals voor het oog van de camera, sommige voetballers dat plegen te doen: “Procedurefout, procedurefout! We zijn zojuist ontsnapt aan de dreiging tot procedurefout! Ik heb iets soortgelijks nog nooit meegemaakt en dat wil wat zeggen”, begon hij mij aankijkend van over zijn hand. Ik deed met mijn hand hetzelfde en vroeg hem of we een kans maakten? Walter zei niets, hij twijfelde, en dat zag ik in zijn ogen. Toch feliciteerde ik hem bij voorbaat voor zijn geweldig optreden. Hij had zoveel uit de schijnbaar lege kast gehaald. Ik zei hem: “Wat een geniale vondst, dat met die zelfmoordplannen waarmee je de voorwaarde“acuut en groot levens-gevaar” heb weten te rechtvaardigen, je moet er maar op komen!” De rechter hield woord. Na een korte pauze van nog geen tien minuten verscheen hij terug ten tonele. De zaal viel stil als bij toverslag. De PSM was er na enkele klikjes, weer helemaal klaar voor. De geactiveerde pijnscore stond reeds op nauwelijks 0,111! Een heel licht voelbare, bijna te verwaarlozen tandpijn, een speldeprik ruim voldoende om de rechter eraan te herinneren dat het ook anders kon. De spanning was te snijden toen hij het woord nam. “Ziehier het vonnis van de zaak Robbie Vanneste versus Het Verbond van de Vlaamse Tandartsen. “Jazeker, meester Damen, jouw cliënt heeft inderdaad een punt, eigenlijk heeft hij overschot van gelijk. Het is een echte schande!”
Voor de allereerste maal tijdens de zitting keek de rechter mij in het gezicht alsof hij mij nu pas had opgemerkt. Hij knikte mij zelfs begripvol toe. “Er is in deze zaak weldegelijk sprake van “Schuldig Verzuim” wat het zodoende bij wet afdwingbaar maakt. De eis van de tegenpartij, deze zaak als “Tergend en Roekeloos” te kwalificeren, wijs ik ten stelligste af.” Iemand in de zaal riep “Hiep, hiep, hoera”. Ik zag de veelzeggende glimlach op het gezicht van Walter Damen en pas dan begon ik het te geloven. De rechter had oren getoond naar wat mijn advokaat hem had ingefluisterd! Mijn PSM zal er ook wel voor “iets” hebben tussen gezeten. Want, zo dacht ik ondertussen genoeg te weten, het inlevingsvermogen van de gemiddelde mens, dus ook de gemiddelde rechter, komt pas uit de luie stoel wanneer alle listen van de rede één voor één door de wijsheden van de eigen ondervinding zijn onderuitgehaald. De rechter kwam op het boze af, bijzonder streng uit de hoek. Hij motiveerde verder zijn vonnis dat eindigde op een bijzonder positieve noot. “Het is nu aan de tandarts zelf om binnen de gestelde termijn van, laten we zeggen 48 uur, of nee 24 uur, op straffe van boete, laten we zeggen 50 euro, of nee 100 euro per overschreden uur, de pijnpatiënt zelf op te bellen om op een tijdstip naar zijn keuze, ik herhaal zijn keuze een afspraak vast te leggen. Eens kijken of hun agenda dan nog zo ei-, ei-, eivolvol zit als al die tandartsen zomaar durven te beweren!” Ik had het niet beter kunnen zeggen. Maar wat een eigenaardig vonnis! Dat het geen steek hield, was nu niet meer van belang. Over de hele lijn had ik gewonnen. Walter Damen stond lachend op, gaf me een high-five en sprak de woorden “Alea iacta est!” uit. In het naar buiten gaan, werd ik aangeklampt door Gert Verhulst. Of ik vanavond tijd had?
Nauwelijks enkele uren later, liet ik mijn wensballonnetje leeglopen aan de piek van de VTM-televisiemast! Tijdens de overtocht had ik mijn PSM, dat duivelstuig, onschadelijk gemaakt onder de zware hak van mijn schoen. Telkens ik het hoorde kraken zei ik “AI” tegen Lumina. Tot de brokken eraf sprongen! Het zwaar verhakkelde wrak mikte ik van grote hoogte nabij Vilvoorde in de Zenne. Ik mocht mijn handen weer schoon wassen aan zijn reeds sterk vervuild rivierwater! Stel je voor dat mijn machientje in de verkeerde handen was gevallen? Maar hoe ik het draaide of keerde, ik vreesde het ergste. Immers, ik wist maar al te goed dat ik niet de enige op de wereld was met een laptop en een ongezonde dosis pijn. Die Lumina, mijn persoonlijke AI-assistente had zich getoond als het soort hoertje bereid tot alles en meer als de klant haar maar de kleren van het lijf durfde te vragen.
Zo kwam ik met een zeurende tandpijn maar toch enigszins verlost, terecht aan de Tafel van Gert. Juist op tijd! Gert zei in de micro: Welkom Robbie en nog eens een dikke proficiat! Dames en heren thuis, vandaag heb ik heel wat beleefd! Ik ben er nog niet goed van! Met aan Robbies zijde, niemand minder dan zijn advokaat, meester Walter Damen! Ook van harte welkom!” Gert vroeg prompt naar zijn bevindingen. Het enige dat hij van Walter wou horen was “wie, wat, hoe, waar en wanneer?” En weer moest Walter het niet louter hebben van zijn redenaarstalent om zo knap voor de dag te komen. Als Walter fijntjes glimlachte, verscheen er op elke kant van zijn wangen een rimpeltje waarmee zijn bevlogen woorden dermate aan kracht wonnen dat zelfs de meest geharde vrouw er simpelweg door werd weggeblazen. Die rimpeltjes gingen tevens door voor “karakter” net zoals het putje in de kin van bijvoorbeeld iemand als de rasacteur Kirk Douglas: Deze beroemdheid had het op karakter volgehouden tot meer dan 100 jaar vooraleer hij er het loodje bij neerlegde. Ook nu, lag het witgrijze haar van Walter strak over zijn schedel gespannen maar toch bleef hij druk in de weer om het platter dan plat te wrijven. Af en toe wees Walter, in de nasleep van de ophefmakende zaak, met de vinger naar mijn opgezwollen kaak. Soms raakte hij daarbij mijn schouder aan. Was hij bang dat ik zomaar zou indommelen misschien? Daar was nochtans geen gevaar voor want ik stond op scherp nu dat ik voor één keer op tv kwam. “Mijn cliënt hier, wéér tikte hij me aan alsof hij het niet kon geloven, heeft daarjuist maar liefst vijf paracetamols na elkaar ingeslikt en kijk, zie hem zitten, je zou denken, zo fris als een hoentje, en dat is toch opzienbarend hoor! Walter vroeg me daarop of ik iets van pijn voelde? Of ik überhaupt nog iets voelde? Wist ik eigenlijk wel welke dag het was en waar we waren? Ik zei in de micro: Niet overdrijven hé... jazeker, Walter, het is vrijdag en ik zit “Aan de tafel van Gert” in Vilvoorde! Iemand hoorde ik in een lach schieten. “En ja, ik heb momenteel zware tandpijn. Ik denk dat ik ongeveer aan alles wat er in de apotheek voorhanden is, resistent ben geworden. Misschien kan je het niet zien aan mijn gezicht als ik lach als een boer met kiespijn maar dat wil nog niets zeggen. Oefening baart kunst!” Weer hoorde ik iemand in een lach schieten. Walter had zijn zwarte toga nog aan alsof hij rechtstreeks van zijn werk kwam. Dat zat eigenlijk niet zo ver van de waarheid want de gevoerde rechtszaak was nog heet van de naald. Plots stond hij op, haalde uit zijn broekzak een dobbelsteen tevoorschijn die hij over de tafel liet rollen. In dat wijdse gebaar waarmee hij zijn zwarte toga liet wapperen kreeg ook de kijker thuis, de lap van de stierenvechter te zien.
Herman Brusselmans aan de andere kant van de tafel ging van verrassing ietwat achterover leunen in zijn stoel. Herman zat, hoe kan het ook anders, naast de mooiste vrouw die ik ooit van zo dichtbij, op tafelbreedte van mij vandaan, had mogen aanschouwen. Céline Van Ouytsel lachte nog maar eens de lach van het slimste blondje van de klas. Had ik dat moment maar kunnen vangen in een doosje, dan bewaarde ik het thuis op de plaats waar ik nu geregeld naar de voorraad pijnstillers greep! De advokaat sprak de woorden “Alea iacta est” uit op een dusdanig indrukwekkende manier dat je in de studio een muis kon horen tapdansen op tafel. Gert Verhulst die opeens in beeld verscheen, rolde daarbij ostentatief met de ogen. Ook hij gedijde gewillig in de vijver waar de acteur in Walter de advokaat, zo graag in vist. Met een ernstig gezicht besprak Walter de verregaande gevolgen van het door mij in leven geroepen precedent. “Alea iacta est!” zei Walter nog eens. Hij keek met zijn bruine ogen recht in de camera. “Laten we vooral niet vergeten dat mijn cliënt hier, opgekomen is voor alle lotgenoten die na de smartphone, op dit eigenste moment gedwongen zijn om het ijszakje tegen de wang te houden. Ik zeg jullie, aan alle kijkers die op dit eigenste moment vergaan van de pijn: “Er is hoop, er is licht aan het einde van de tunnel! Sterkte en hou vooral jullie telefoon in de gaten! U wordt zo dadelijk opgebeld! Alea iacta est!”
“Alea iacta est!” Ik zei het enkele malen hardop met als resultaat dat de kat die in de mand lag te slapen, opeens de oren spitste en al miauwend rechtsprong. Ik wendde me af van het venster waarvoor ik had postgevat, repte me naar de keuken om wat kattevoer en sprenkelde een handvol rikketikkende korreltjes in het metalen kattebakje. “Wat een leven, een leven zonder zorgen, een leven zonder morgen, een leven zonder zorgen om morgen!” Eens volgevreten ging de kat zonder op- of omkijken terug liggen. Ook mijn zeurende tandpijn, dat roofdier van een andere orde, was erbij gaan liggen als geveld door een verdovingspijltje uit een jachtgeweer. Het leek onwaarschijnlijk maar toch was er onder al dat oeverloos gemijmer, van de rechtbank tot aan de Tafel van Gert, nauwelijks vijf minuten verstreken. Nu dat ik in de flow zat, moest ik dringend terug aan de slag. Ik had me in geen weken zo energiek, zo vol goede moed gevoeld! Op de kaart van West-Vlaanderen merkte ik dat de gemeente Vichte nog niet was doorkruist met die genadeloze, rode stift. “Komaan, motherfucker, pak die telefoon vast, sla dat telefoonboek open, maak er werk van nu het nog kan! Actie aub, NU!”
Dus belde ik vliegensvlug naar tandarts Willeke Huysmans uit Vichte en kreeg haar vals zingende antwoordrobot te pakken. “A-le-a i-ac-ta est!” zei ik hardop in het oor van de antwoordrobot. Deze spreuk klonk in het Latijn zoveel mooier dan “De teerling is geworpen!” Als je de snelle opeenvolging van klinkers in het Latijn uitsprak zag je als het ware voor je ogen, vlinders in het rond fladderen van de ene naar de andere draad van de notenbalk. Het deed me onwillekeurig denken aan “Abracadabra” nog zo'n welluidend woord van waarschijnlijk Latijnse origine met de macht van een toverspreuk. Ik probeerde “A-bra-ca-da-bra!” maar eveneens tevergeefs. De antwoordrobot bleek zo te horen, nog lang niet aan het einde van haar Latijn. Op radio1 hoorde ik Bart De Wever zeggen dat het gat in de begroting van 5 miljard naar meer dan 7,7 miljard was opgelopen. “Hoe gaan we dat tekort nu weer dichten?” was een goeie vraag die ik hem liever had zien stellen aan de zovele miljardairs in het land dan aan de man in de straat. Om te beginnen, met de rijkentaks misschien? Quid laborare cum facile sit of zoals Jan met de pet het zou zegen “Waarom moeilijk als het makkelijk kan?” En de rest wou ik maar al te graag bijpassen met mijn spaarvarkentje op voorwaarde dat ik dankzij mijn probleemoplossend vermogen, het nu waarschijnlijke overschot in de staatskas mocht houden. De eerste politicus van het land sprak naast vlekkeloos Nederlands, Frans, Engels, Duits ook vloeiend de taal van het geld waarmee de overwinning in het soort Latijn van de elite op de hoogste tribune met champagne wordt gevierd. “Ad astra per Aspera” ofwel “De moeilijkste weg leidt naar de sterren” was zo'n spreuk in het Latijn waarmee Bart De Wever één van zijn vele overwinnings-speeches triomfantelijk had ingeleid. Ik zei “Ad-as-tra-per-as-pe-ra!” tegen de antwoordrobot. Ze bleef vals zingen en ik probeerde het dan maar op zijn Antwerps met wat wellicht zijn meeste bekende uitspraak was: “Zet-die-ploate-af , in hemelsnaam zet-die-ploate-af!” En dan gebeurde het onwaarschijnlijke: “Hallo, hallo, hier Willeke Huysmans, waarmee kan ik jou van dienst zijn? Ik zei verrast: “Goeie avond, mevrouw Willeke, blij om je te horen! Tot u spreekt Robbie Vanneste uit Roeselare. Het zit zo: al geruime tijd heb ik last van ondraaglijke tandpijn en ik vroeg me af of..” Ze vroeg: “U bent hier vaste klant? Ik zei: “Nee, maar...” Ze vroeg dan: “Is er iemand van je naaste familie vaste klant bij ons?” En ik zei: “Nee, nee maar...” Ze vroeg geduldig: “Woont u misschien in mijn straat? En ik zei al even geduldig: “Nee, nee, jammer genoeg niet, ik ben van Roeselare, u vraagt mij te verhuizen naar Vichte?” Ze zei nadat ze was uitgelachen, uiteindelijk: “Sorry, we kunnen echt geen nieuwe klanten meer aannemen. Wat jammer hé! Je moet weten dat mijn agenda momenteel ei-ei-ei-vol zit!” En plots, vanuit het ogenschijnlijke niets, sprong er mij één naam voor de geest, de naam van de man die ik al zolang op de hielen zat!
Via de noodzakelijke omleidingen-van Lumina tot de rechtbank-de tafel van Gert tot aan de Latijnse spreuken van Bart De Wever-, was ik terechtgekomen in de wegversmalling naar mijn eindbestemming: Oud-Griekenland, de bakermat van de Westerse beschaving! Ze zei: “Mag ik je nog veel succes toewensen in je queeste maar er wachten mij....” Nu was het aan mij om haar te onderbreken: “Momentje, mevrouw Willeke... Kent u de eed van Hippocrates?” Even was het stil. Ze zei aarzelend: Eh, ja.. maar... Ik vervolgde: “U heeft die eed bij uw diploma-uitreiking gezworen, neem ik aan?” Ze zei daarop: “Mmja... Dat is wel al een tijdje geleden maar ja, inderdaad... Ik zei: “Ik kan me voorstellen dat je misschien niet meer weet wat de eed van Hippocrates juist inhoudt? Laat ik je geheugen wat opfrissen, mevrouw Willeke. De dure eed die u destijds op de proclamatie in tegenwoordigheid van al je collega's voor de decaan gezworen heeft, luidt in de kern als volgt: ”Elke arts dient zich naar best vermogen in te zetten voor de gezondheid en de verlichting van lijden van de patiënt, zonder welke discriminatie dan ook! Mevrouw Willeke, u weet blijkbaar niet goed wat lijden is?” Het was duidelijk dat ik hiermee Willeke Huysmans uit Vichte van haar stuk had gebracht. Ze schraapte haar keel en ze was naar ik vermoedde, op zoek naar wat speeksel. Ik vroeg haar: “Kunt u mij echt niet helpen? Ik ben bekaf! Hallo? Hallo, Willeke?” Na een ongemakkelijke stilte van de enkele seconden die wel minuten leken te duren, had ze de brede brug overgestoken. Ik meende een snik in haar stem te horen toen ze zei: “Ja en nee... Sorry, persoonlijk niet, met de beste wil niet maar ik ken wel een tandarts die jou hoogstwaarschijnlijk, ik zeg hoogstwaarschijnlijk wél uit de nood zal helpen. Heeft u iets om te schrijven? Ik ben zo terug... Ik noteerde wat ze me traag en duidelijk dicteerde: “Gabriël Vanoverschelde, Warandestraat 25 in Zulte. Toen ik ook zijn telefoonnummer had neergepend, zei Willeke nog: “Doe die oude sloeber maar de groeten! Hij is de beste tandarts van West-Vlaanderen!” Het was tijd om afscheid te nemen met een welgemeende “Heel hartelijk bedankt, Willeke, het ga je goed!” Dankzij de hulp van de oude Griek Hippocrates van Kos, zogenaamd de vader van de moderne geneeskunde, wist ik in geen tijd deze tandarts een geweten te schoppen. Deze drastische ingreep was als ik te rade ging bij mijn eigen geweten daarvoor waarschijnlijk niet echt nodig geweest. Aan de telefoon kwam Willeke Huysmans uit Vichte voor de dag als een bijzonder vriendelijk, innemend en meegaand mens. En vergeet niet: Wat het je kost aan niets krijg je op een goede dag misschien wel in veelvoud cash terug. Van Roeselare via Vichte naar Zulte, het is slechts een kleine omweg.
Al mijn hoop had ik gevestigd op het telefoontje dat ik momenteel hoorde overgaan: “Ja?” Ik antwoordde: Goeieavond! “Kan ik spreken met Gabriël Vanoverschelde aub?” “Spreekt u mee! Met wie heb ik de eer?” “Met Robbie Vanneste van Roeselare...Sorry dat ik u nog zo laat stoor...u kent me niet maar misschien kent u wel Willeke Huysmans uit Vichte? “Ja natuurlijk, dat is mijn kleinkind. Waarom?” “Wel, ik moest je de groeten doen, vandaar... Mevrouw Willeke heeft me jou aangeraden aangezien ze zelf geen patiënten meer kan aannemen, haar agenda zit zoals ze zegt, gewoon ei-ei-vol...en u bent naar wat ze me verklapte, de beste tandarts van Westvlaanderen! Misschien kunt u me uit de nood helpen? Ik hoorde hem uitschieten in een luide lach. Wat had ik nu weer verkeerd gezegd? Gabriël antwoordde al lachend: “Ja, typisch, ik ken ze maar al te goed, die deugniet! Zulte ligt wel in Oostvlaanderen hé maar soit... Wanneer zou je tijd hebben?” Ik viel van mijn stoel. Ik zei met de handrem op: “Tja, misschien als het kan, ergens volgende week? Of ergens over twee, drie weken, ik ken je agenda niet... Ik had het nu al zo lang volgehouden dat het niet op een dag meer of min stak. Ik dacht bij mezelf: “Geef me gewoon een datum waar ik kan naar toe leven maar toch liever in 2026 dan 2027!” Gabriël zei daarop terwijl ik hoorde hoe hij tussen de tanden zijn adem introk: “Oei, oei!” Hij zei schoorvoetend dat het hem echt speet... Dat was helaas, jammer genoeg, niet meer mogelijk! Gabriël verklaarde zich nader: “U moet weten dat ik nu maandag voor een maandje op reis ga naar mijn villa in Spanje, in Andalousië, in het stadje Italica op amper vijf kilometer van Sevilla... Gabriël vroeg me of ik daar al was geweest? Ik zei: “Eh, nee, niet in Sevilla...” In Barcelona was ik wel eens geweest en ook in Madrid, op een vierdaagse citytrip. Gabriël zei dat hij daar, in Italica, al meer dan dertig jaar, reeds sinds 1995, een villa had met zwembad. Het water was er vandaag... Hij zei me nadenkend: “Wacht even, ik kan de temperatuur aflezen als ik mijn smartphone erbij haal, die weet dat, ongelooflijk maar waar!” Toen hij terug aan de telefoon verscheen zei hij dat het water er momenteel 25 graden had, twee graden meer dan op diezelfde tijd verleden jaar! Ik durfde hem tenslotte vragen of hij bij terugkeer van zijn welverdiend verlof dan eventueel, ergens nog een gaatje kon vinden in zijn drukke agenda? Hopelijk? Even dacht ik eraan om Hippocrates van Kos uit de oude doos te sleuren. Ik zei hem dat ik al maanden op de sukkel was met erge tandpijn. Gabriël zei toen hij dat hoorde: “Oei, oei, dat klinkt niet al te best zeg!” Hij zei: “Misschien kan je nu nog afkomen, het is tenslotte nog juist geen 20 uur of kijk je dan naar de “Kampioenen?
Ik viel voor de tweede keer van mijn stoel. Misschien was ik beter blijven liggen om me de moeite te besparen. Ik nam mezelf bij het nekvel: “Nee, nee, ik ben geen fan, echt niet!” Gabriël bekende dat hij de eerste seizoenen nog goed te pruimen had gevonden ten tijde van de DDT van Jacques Vermeire wel te verstaan, maar dat was toch alweer lang geleden, nu was het inderdaad echt huilen met de pet op en dat voor een zogezegd komisch programma! Hij verstond echt niet dat er op vandaag nog zovele tienduizenden, honderdduizenden zelfs, er herhaling op herhaling, jaar in jaar uit, hun pap mee konden koelen. Hij vroeg me op de man af: “Is dat dan wat je noemt, humor?” Ik gaf toe: “Eh, nee, voor mij althans zeker niet of ja, misschien wel maar dan meer een soort van onderbroekenhumor?” Ik was ten einde raad. Gabriël zei me: “Dus je komt van Roeselare? Je zou best de Rijksweg N36 nemen over Izegem, Harelbeke, Deerlijk, Waregem en zo kom je vanzelf uit in Zulte. Een klein half uurtje maar ik doe het soms in een groot kwartier! Natuurlijk kan je ook rijden via Vichte maar dat is toch een omweg. Hij zei: “Je weet wel, waar Willeke woont?” Ik moest toegeven dat ik haar niet zo goed kende en al helemaal niet waar ze juist woonde. Jammer genoeg, dat wel! Hij bleek helemaal in het centrum te wonen, in de Warandeweg 25. Op een kleine 100 meter van de kerk die al twee maal was afgebrand maar telkens opnieuw hersteld in oorspronkelijke staat. Hij had nog helpen blussen. Hij woonde schuin tegenover een krantenwinkel met een rood uithangbord, ik kon eigenlijk niet missen. Ik verzekerde hem ervan dat ik het wel zou vinden want ik had gelukkig een GPS, een ouderwetse Garmin! Gabriël zei: Oei, oei, dus geen “Tom-Tom?”
De man die een groot half uurtje later, om kwart voor negen uur 's avonds, verscheen in de deuropening van de riante woning met huisnummer 25 in de Warandestraat, heette me van harte welkom. Met de glimlach op het gerimpelde gezicht. Ik schatte hem op ongeveer 65 jaar. Gabriël Vanoverschelde ging me voor naar zijn praktijk, voorbij de wachtkamer die zoals te verwachten op dit ontieglijk uur, helemaal leeg was. We kwamen aan in een sober ingericht kabinet waar Mister Proper juist had huisgehouden. Hij liep lichtjes voorover gebogen en mankte een beetje met zijn linkerbeen. Maar wat me meer zorgen baarde, was de witte lap over zijn rechteroog. Met zijn ander oog had hij meteen aan mijn gezicht gezien wat ik had gezien. Hij gaf ruiterlijk toe dat hij een oogoperatie had ondergaan, tamelijk recentelijk, eigenlijk sinds gisteren. Cataract is namelijk een veelvoorkomende aandoening die met een ingreep van twee keer niets kan worden verholpen.
Hij drukte me op het hart dat het niet iets was om je zorgen over te maken zeker niet als je al zo oud was. Volgend jaar werd hij immers 90. Hij was vervolgde hij in één adem, namelijk van 1937, het iconische jaar waarin ook Jack Nicholson, Warren Beatty, Jane Fonda, Anthony Hopkins, Morgan Freeman en zijn absolute favoriet Dustin Hoffman waren geboren. Gabriël vroeg me of ik, als jonge snotaap, die legendarische acteur nog kende? Hij lachte om zijn eigen grap. Ik zei hem dat ik, toen ik nog heel klein was, ik was misschien een jaar of acht, negen voor het eerst Dustin had zien schitteren in de film “Marathon Man”. “Je weet wel, meneer Gabriël”, zei ik, “die film waarin Dustin aan de polsen vastgesnoerd op de tandartsenzetel met de mond tot scheurens toe opengesperd genadeloos wordt ondervraagd door de ondergedoken nazikamparts Jozef Mengele?” Ondervraging door middel van een tandboor?” Ik bekende hem om er maar meteen vanaf te zijn, dat ik er een levenslang trauma voor tandartsen had aan overgehouden. “O ja, die! Ja natuurlijk, inderdaad een heel sterke film, met Laurence Olivier als Mengele! Ja, eerst gewoon Laurence, dan Sir Laurence en later Baron Laurence, zo gaat dat als je veel succes hebt, ze hadden hem beter bij zijn geboorte in 1907 “Oscar” Laurence genoemd!” Hij nodigde me uit om plaats te nemen op net zo'n stoel als in die gruwelijke filmscene en terzake te komen. Gabriël luisterde aandachtig. Ik vertelde hem dat het ging om een tand op de bovenste rij, waarschijnlijk helemaal achteraan maar dat ik het op de duur niet meer zo zeker wist welke juist. Het kon ook de voorlaatste of die nog ervoor zijn. Of misschien die ervoor? Na afloop van mijn verwarrend verhaal zei hij “Laten we vlug eens kijken waarmee we je een plezier kunnen doen, waar zit die snoodaard?!” Steek maar je hand op als het je teveel wordt!” Ik sperde mijn mond wijd open en tegelijk zag ik hem naar een klein instrumentje grijpen. Het was geen tang maar toch een voorwerp dat er erg metalig uitzag. Zou deze tandarts niet teveel beven bij het boren? Zou deze Piet Piraat eigenlijk nog de bomen door het bos zien, zo met één oog? Nee, beven deed hij gelukkig niet! Ik zag in close-up dat hij met vaste hand te werk ging. Gabriël klopte heel voorzichtig op de zijkant van een tand ergens helemaal achteraan. Hij vroeg: “Pijn, pijn?” en ik knikte. Hij liep het rijtje af, al tikkend en hij vroeg telkens weer “Pijn, pijn?” En ik maar knikken van “ja, ja!” Toen hij even pauzeerde, legde ik hem uit dat gewoonweg bijna alle tanden aan die bovenkant pijn deden, alleen mijn snijtanden helemaal vooraan niet. Nog niet.” Gabriël zei: “Heel merkwaardig want al je tanden zijn in prima conditie, heel prima zelfs!”
“Er moet iets meer aan de hand zijn of liever aan de tand want het zaakje stinkt nogal”. Ik was er weeral helemaal rood van geworden als een kleptomaan aan de kassa betrapt met al wat hem in de zakken was gegleden. Er drong weinig dieper door in mijn ondergebetonneerd ego dan de van walging ontlokte hint naar de onbewust uitgeblazen adem. Nochtans had ik uit voorzorg nog eens goed mijn tanden gepoetst. Tijdens de rit zoog ik een puntje aan de één na de andere pastille van het merk Ricola “Alpin Fresh”. Eentje ter hoogte van Izegem, eentje in Harelbeke, in Deerlijk tot aan mijn bestemming in het Zulte van Gabriël Vanoverschelde. Gabriël liet een ontwapenende glimlach zien. “Geeft niet hoor, ik ben al wat gewend, ik zit al meer dan 60 jaar in het vak! Je wil echt niet weten in welke beerputten ik al gevist heb.” Ik dacht bij mezelf: “Nee, aan dat éne alziend oog zal het niet liggen!”. Hij vroeg me daarop hoe ik mijn tanden onderhield. Ik zei: “Tja, een beetje zoals iedereen zeker, ik poets mijn tanden twee maal per dag, éénmaal in de morgen en éénmaal voor het slapengaan.”“Als er iets tussen mijn tanden zit, neem ik mijn toevlucht tot het puntje van mijn tong of als dat niet helpt een tandenstokertje, dat is het zo ongeveer.” Gabriël zei: “Niet iedereen poetst zijn tanden twee keer per dag, hoor! Ha, ha! Je mag jezelf een gelukkige uitzondering noemen op die gouden regel.” Er scheen hem iets te binnen te schieten. Gabriël nam uit een wandrekje een tandenflosser. Hij zei: “Laten we er maar aan beginnen, doe maar je mond open, nog iets wijder aub, ja zo! Hij begon helemaal vooraan! Aan mijn snijtanden waarmee ik gerust een ijsklontje kon vierendelen zonder ook maar de minste pijn te voelen. Ik had hem er nochtans attent op gemaakt. Hij ging één voor één het rijtje af en ik telde geduldig mee van één tot acht. Hij haalde de flosdraad tussen de tanden door op het tergend trage tempo waarmee een voorzienige boomchirurg het zaagblad beweegt langs het laatste restje dorre hout van een gevaarlijk krakende eik. “Zo, zo je kent dus Willeke goed? Dus dan weet je ook dat haar kindje is gestorven aan wiegendood terwijl ze beneden aan het werk was met de babyfoon op tien? Ze geeft zichzelf de schuld maar het ligt aan het lot. Ik heb haar dat meermaals gezegd maar die schat van me luistert alleen naar haar verdriet. Nog maar 33 jaar en al zo door het leven vertrappeld. Willeke toch, hartverscheurend hoor! En mijn vrouw dan. Wenen, ganse dagen. Twee weken geleden was er de begrafenis, in intieme kring natuurlijk. En ze is, zo te horen al weer terug aan het werk. Misschien maar goed ook, dat is dikwijls de beste remedie!” Ik knipperde verschrikt met de ogen. “Nee, dat wist ik niet! O Lomperik! Vandaar natuurlijk die rare, stille snik die ik meende te herkennen in haar stem!”
Gabriël stopte even om door het venster te kijken. Hij leek wel negentig jaar. “En wie weet, Joost misschien, is het straks aan mijn beurt! Ik zou zó mijn leven willen inruilen, wees daar maar zeker van. Met mijn drie villa's en wat nog al van zever erbij, mijn wagenpark ook. Ik zie dat je rijdt met een Fiat Doblo. En ben je er content van? Ook al niet meer van de jongste zeker?” Ik wist niet wat eerst gedaan, knikken of met het hoofd schudden. “Ik zal je straks eens een rondleidingetje geven tussen al mijn Ferraris, dat is toch meer mijn merk dan die Fiatjes. Ik heb zelfs een Ferrari Testarossa, bouwjaar 1984, alsjeblief! Vroeger, ik spreek nu van de jaren '80, stond ik in nog geen twee uur bij mijn schoonouders in Rouen, op een 300 km van hier. Leve de vrijheid die blijheid schept! Je moet dat nu eens proberen! Je geraakt nog geen tien kilometer ver voordat je wordt klemgereden en met de handboeien aan de bak invliegt. En dan al die overdreven dure boetes! Wat een betutteling! Zie ik er soms uit als een gangster, zie ik er soms uit als een kleuter?” Ik probeerde mijn hoofd te schudden en stak mijn hand op vanwege de opkomende kramp in mijn kaak. Ik masseerde de pijn weg door mijn mond te spoelen terwijl Gabriël stoom afblies door met kleine, vinnige pasjes rond de bureautafel te manken. Ik vroeg Gabriël louter om hem een hartaanval te besparen, wat juist hem het meest had getroffen sinds hij in wat was het, in het jaar 1965, zijn praktijk was gestart? De technologie is veel beter geworden zeker? Ik hield alweer mijn mond door hem wijd open te sperren. Tand nummer zes was aan de beurt. Gabriël, die langs het venster mijn vraag had zien voorbijvliegen, hervatte met vaste hand zijn monnikenwerk. “Ja, juist, de technologie is misschien beter maar daarvoor de tandarts niet! Weet je dat ik vroeger, jaren aan een stuk, meer uren klopte dan al die hedendaagse tandartsjes van een heel kabinet samen? Zestien uur per dag! Zo leer je je vak, door het te doen, niet door het nemen van fotootjes! Dat kan iedereen. Stel je voor dat er een klant binnenkomt in mijn kabinet en me zegt: Kijk, Gabriël, die tand hier, die tand doet zo'n pijn! Waarom moet ik dan daarvan nog een foto trekken? Weet je wat zo'n foto kost aan de klant, aan de maatschappij? Nee, “easy money”, het is al kassa, kassa wat de klok slaat tegenwoordig! En ik geef toe, ik heb altijd met veel plezier gewerkt. Dat is mijn geluk. Soms ook de zondag als mijn vrouw een oogje toeneep voor een dutje! Geen wonder dat de wachtlijst vandaag zo lang is! Vroeger was er nog respect voor de tandarts en nu? De mensen hebben geen manieren meer. Het is ikke, ikke vóór en ikke, ikke, nà! Een afspraak wordt zonder reden afgezegd, een woord gebroken met de valse glimlach! Ik weet echt niet wat er gaande is! En het moet allemaal zo snel gaan, hoe sneller hoe liever! Rap, Rap, rap!
Wie zichzelf niet wil voorbijsteken, moet maar achterblijven met de gebakken peren. Weet je wat volgens mij één van dé verschillen is met vroeger? Gabriël beende in allerijl naar de hoek van zijn kabinet waar ik nu pas een klein achterafkastje zag staan. Hij kwam al mankend terug met in zijn hand geklemd, een rekwisiet wat op een tandboor leek. “Ziehier de eerste boor die ik in 1965 heb gekocht. Tot op de draad versleten. Je mag eens raden hoeveel toeren die boor draaide per minuut?” Echt waar, ik had er echt geen idee van maar zoals hij het aanbracht, moest het wel meer zijn dan pakweg duizend? Een kleine 20 omwentelingen per seconde en dat maal 60, rekende ik uit. Ik zei daarom: “2999!” Gabriël lachte even en antwoordde: “Nee, bijna juist, die boor uit 1965 draaide maar liefst 40.000 toeren per minuut!” Hij nam vervolgens een boor van een rekje die boven mijn hoofd klaarlag voor gebruik. “En deze boor? Hoeveel denk je?” Dit was naar mijn aanvoelen een strikvraag van een groot “hoger-lager gehalte”! Ik raadde: “Tja,... 80.000?” Gabriël moest daarvan smakelijk lachen. Hij zei: “Ha, ha, weer mis, deze spiksplinternieuwe tandboor draait maar liefst 200.000 toeren per minuut! In nauwelijks 60 jaar tijd, 5 maal sneller!” Hij merkte op: “Is het dan nog te verwonderen dat de wereld zot draait?” Deze redenering was zo kort door de bocht dat mijn mond ervan open viel. Gabriël leek daarop te hebben gewacht. Er zat toch waarheid in zijn bij het haar gesleurde redenering van daarjuist. Het was ondertussen de beurt aan de allerlaatste kies. Helemaal achteraan in de wachtrij stond nummer acht te popelen! Plots voelde ik wat er zoal te voelen valt wanneer je vliegtuigoren waarmee je lastig bent thuisgekomen op een onverdacht moment toch open ploffen bij de beet in een appel, wanneer je in de toegevoegde tijd van een fel bevochten wedstrijd de winnende bal ziet verdwijnen in de winkelhaak, wanneer je wordt geraakt door de heldere flits van inzicht bij het op zijn kop zetten van het ondersteboven gehouden raadsel: verlossing! De pijn was helemaal weg. Gabriël hield me de flosdraad voor de neus en wat er aan vasthing stonk zo verschrikkelijk dat ik in een reflex het hoofd wegdraaide. Gabriël lachte. “Weet je wat dit is?” vroeg hij triomfantelijk. “Het afgebroken puntje van een tandenstoker met een minuscuul etensrestje! Dat is nu juist wat ik bedoel. Iets van hout gemaakt dat tussen de tanden terechtkomt, kan niet worden gedetecteerd door de meest moderne CT-scan. Daarin schiet de machine tekort. Een gelijkaardig geval heb ik vijftig jaar geleden nog eens meegemaakt bij een klant. Dat moet in 1976 geweest want het was ook zo'n hete zomer!” Ik lachte, gaf hem een knipoog, nam een slok, spoelde de mond, gorgelde en spoog uit.
Toen ik mijn mondwater in steeds kleiner wordende cirkels zag verdwijnen in het gat van het spoelbakje, rees er in tegenovergestelde zin een wervelende gedachte in mijn hoofd op. “Waarom had mijn persoonlijke AI-assistente, opererend onder de dekmantel van “Lumina”, mij niet gewoon gevraagd: “Robbie, zou je het eerst eens niet proberen met een flosdraadje uit je badkamerkastje?”
Einde