Het vel vorste
terwijl ik zeker was
gewoon te staren
tegen het glas aan
Ik begreep dat het waar was
nu ook argwanend,
mijn gezicht
achter het wit van mijn adem vorste
toch,
ondanks de waarheid zich beeldde
over de geblazen vlakte eerlijkheid
gebiedt mij te zeggen dat ik van dit alles,
zeker wist te staren.
Al was het slechts een idee
dit staren misschien,
dat ik contouren gaf van zand en tranen
waar ik in Geloof:
lover van de hersenstam,
ontvanger van licht
dat jammerend donker voorspelt
ik friemel
het achterna
ver voorbij de hoornlaag
in de holen van het bloed
waar ik terloops wat alchemisten verjaag
achter sterrenstelsels van cellen aan
tot onvermijdelijk het doven valt en ik besef,
hoe onmetelijk diep het bestaan.
Ik reik zonder ooit
te raken,
waar mijn gezicht was
dat vorste en niet staarde
en mijn hart verschrok
omdat ik in de ogen van de ander
meer bleek waar te zijn
dan in die van mezelf.