Je duwt in mijn schil, op zoek naar de plek met de minste weerstand. De plek waar het sap het zoetst is. Je zuigt je vast, slaat je gulzige tong tegen mijn vezels en ik word felrood, te vloeibaar om nog onschuldig te zijn. Het sap dat langs je kin druipt verraadt de versgeslagen wonde. Je sneed met precisie, schilde mijn kwetsbaarheid van me af. Je stroopte mijn huid en verorberde me zonder verpinken. En nu lig ik opengebroken in je handen.
Het vruchtvlees,
mijn vlees.
mijn vrucht.
Elke kleine aanraking van jou duwt de dunne vliezen verder open. Mijn bleke draderige vezels blijven koppig vasthouden aan mijn pit. Die kan ik je niet geven. Ik kijk hoe je langzaam mijn vlezige restanten van tussen je tanden peutert, het onverteerbare afval van je perfecte consumptie. Vegetariër en roofdier tegelijk, je wil de vrucht én het vlees, zonder ooit een mes te moeten slijpen.
Ik blijf over als een zachte kern, een bevende pit, een karkas. Zelfs zonder nog een morzel op overschot zou ik je alles geven. Je hebt mijn weerloze pit in je handen. Mijn eenzame ontvleesde botten zet je bij het afval. En ik kan alleen maar fluisteren: Verslind me, mijn dier. Opnieuw en opnieuw.