Het water wordt gedeeld: vissen, futen en Canadezen.
Erlangs loopt het pad, bevolkt door de sporadische mens.
Schepen glijden voorbij, hun adem inhoudend.
Populieren pochen in het zwerk, wie het hoogst reikt, vangt de meeste wind.
Ondertussen graven hun wortels alles onder, tot aan het weiland toe.
De boer ploegt onverstoorbaar verder.
De reiger zweeft sierlijk voorbij, de aalscholvers stuiteren over de stroom.
Mijn ogen dwalen rond.
De Schelde sleept haar verhaal mee,
een eeuwige fietser snijdt de wind.
In de verte luidt een gindse klok,
een wandelaar roept zijn losse hond.
Een bankje nodigt me uit te zitten.
Stop het leven!

