Ik heb iets. Een afwijking, een aandoening, een ziekte, iets aan mijn stilistische oog. Van domme, en om een of andere reden vaak populaire boeken, begint het na enkele bladzijden te tranen. Bij hardnekkige clichés komt daar jeuk bij, en als de schrijver ook nog veel bijvoeglijke naamwoorden gebruikt, ontwikkel ik een lichte conjunctivitis. Ik heb er druppels voor, maar die helpen alleen tegen de symptomen. Te slimme boeken zijn helaas evenmin een oplossing. Daar krijg ik last van een ander oog, het jaloerse, dat anatomisch vermoedelijk vlak achter het stilistische ligt. Vooral zinnen waarvan ik onmiddellijk weet dat ik ze zelf had willen schrijven, verdraag ik slecht. Mijn zicht vertroebelt, ik moet het boek neerleggen en een tijdje voor mij uit staren tot ik de schrijver weer iets minder kwalijk neem dat hij eerder op die zin is gekomen. Mijn oogarts vreest inmiddels voor staar. Ik heb hem niet durven zeggen dat ik vermoed dat het literair is. Mijn leesruimte wordt dus steeds kleiner: links de conjunctivitis, rechts de afgunst, en in het midden een smalle strook waarin ik nog min of meer scherp zie. Daar moet ergens het perfecte boek staan. Ik hoop alleen dat niemand het vóór mij schrijft.
Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.
Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.
