een sprankeling zonder daglicht
lange haren zonder wind
zeeën zonder golven
meeuwen zonder ruisen
een kustlijn zonder bruisen
soms was daar
een broeirige dag
op de hielen gezeten door een
zweterige nacht, een vonk
die oversloeg tussen twee
hemelichamen
soms was er stil gedonder
diep in de vertes van de
horizon
soms
heeft ze alles, soms zelfs
mijn gelijk, soms ben ik haar eigendom,
een lijfeigene vreemdeling
soms heeft ook zij niets
meer aan
soms valt de angst in dagen
van rust
in een wieg naast de zachte
machtlamp
die de lijn van de pen
bewaard op het vel van samenraapsel
soms valt de angst te binnen
als een noodzaak aan schrijven
als een schrijven in nood
een schrijven dat enkel een
reddingsboei biedt
als men blijft schrijven
blijft lijven
in dezelfde keur
soms valt de angst als een blok
van de schouders, tot het blok
aan uw been dat ketent
aan geloven
ook dat is ons
vergeven
soms valt de angst aan
als een rat uit een hoek
als een schop onder de kont
als een wiek in een ton, een lont
soms valt de angst over haar
zelf verzonnen overval
soms valt angst met
het kijken van haar blik
dan laat ik mij wegschrijven
ter land, ter zee en in de lucht
als aarden dammen
als happen naar lucht
als water aan de lippen
als stukslaan op haar klippen