Op een dag kwam ze zijn kamer binnen.
Zomaar.
Ze nestelde zich in een zetel
en vouwde haar benen onder zich
als grote, broze vleugels.
"Je lijkt wel van vlees en bloed.",
wou hij even.
Maar hij zweeg,
verlegen.
Hij staarde in haar ogen
waar ze krijtzwart stralend
zijn fantasieën mee scheen
te bepalen.
Hij voelde hoe ze in hem gleden
en tergend trage bressen sneden
in alles wat hij had.
Hij dacht :
"Ze verscheurt mijn hart
en neemt straks de beste brokken mee."
Later
zette ze zich recht,
langzaam,
als een lome zomerdag.
Ze slenterde naar buiten en verdween.
Met al de waanzinnige liefde die hij haar had willen geven.