Ik maak een spookreis door mijn verleden.
De spookreis put mij uit.
De spookreis put mij uit,
krast mijn beeld
van elke foto
tot alleen het witte randje blijft.
De lucht jouwt mij uit
op mijn spookreis.
Versuft en verblind
rijd ik tegen de tijd in,
spookrijder op reis.
Op de achterbank
een handdoek, nog nat
van een duik die ik vergat.
Op het dashboard
een parkeerticket, vergeeld,
geldig tot 1998.
Wie mij tegemoetkomt
toetert niet,
zwenkt uit,
kijkt weg.
De spookreis is geen reis.
Het is een spook dat reist.
