Soms zie je ze. Maar soms ook niet. Al die hoge sterren aan de hemel. Af en toe met een planeet erbij. Of de maan. Wonderbaarlijk ver weg en zo helder. Maar dus soms zie je ze totaal niet. Soms zijn ze echt verstopt, achter wolken. Of bestaan ze dan misschien gewoon aan de andere kant dan waar ik naar kijk. Kijk ik dan soms naar een verkeerde kant? En soms is er te veel licht om ze te zien. Lichtpollutie noemen ze dat. Vervuiling. Vuile hemel. Weg met de heldere, glinsterende sterren. Enkel het pure donker, zonder één wolk, in een open ruimte, biedt het mooiste resultaat. Dwalend en dromend kan ik er uren van genieten. Tot aan de einder, geen vuiltje aan de lucht.
Zo dacht ik toch toen ik hem ontmoette. Geen vuiltje aan de lucht. Ik pikte hem op aan het station. Zo hadden we afgesproken. Die ene mooie lentedag in mei met de perfecte temperatuur. Terrasjesweer noemen ze dat in het weerbericht. Precies of dat de referentie is voor mooi weer, terrasjes doen. Alsof het iets actief zou impliceren door het werkwoord doen te gebruiken. Men zit gewoon, men doet niet. Maar die dag, die terrasjesdate in mei, was het zover. Op de middenberm stond hij op de uitkijk. Grijzend haar en een knalrode broek. In de heldere middagzon van mei. De lente mag er zijn. Hij stapte in en gaf me een zoen. Hij rook naar meer. We bestelden wijn en Duvel. Zijn stem deed de sterren trillen. De ruimte verdween en er was geen heelal meer. Er was enkel nog hij en ik en zijn hand en mijn hand. Al het andere verdween. Opgeslokt in een zwart gat. Niet meer relevant. Geen vuiltje aan de lucht op date één.
Maar zoals blinkende sterren het vergaan, was ook hij niet steeds zichtbaar. Keek ik naar de verkeerde kant? Was het weer vandaag niet gericht op handen en sterren en ogen zien? Was een maand later de Aarde gewenteld en was het elke nacht terug pikdonker? Of moest ik gaan betogen tegen lichtpollutie? Of ja, gewoon wachten, tot de zon terug in haar as zat en draaide met de wind mee. Want daar was hij weer. Aantrekkelijk zoals de zee naar de maan vloeit. Alsof hij altijd was blijven schitteren aan de hemel. Met een zoen en een knuffel en een verhaal over planeten en zwaartekracht en vallende sterren. Ik hing terug aan zijn lippen. Ik wou meer. Hij blonk weer. Parmantig straalde hij mijn hemel vol licht. Geen vuiltje aan de lucht.
Zijn huis lag wel wat rijden van mij vandaan. Maar geen lichtjaren. Zo ver nu ook weer niet. Zijn bed was enkel tijdelijk beschikbaar. Van valavond tot volle maan. Daarna sliep ik thuis. Zonder te weten wanneer de sterrenhemel terug zou openbreken. Enkel wat boodschappen, recht uit de kosmos, belandden in mijn gsm. Het was zo fijn geweest. De maan had weer eens geschenen.
Zo gingen en kwamen de maanden en dan de jaren en de sterrenhemel was bezaaid en dan weer leeg. Andere planeten draaiden verder rond terrasjes en verdwenen weer op Aardrijkskundige wijze. Je zou dat kunnen opzoeken. AI weet zeker en vast hoe dat werkt. Zou er een ster bestaan met dezelfde schijn- en verdwijnfrequentie als die van hem? Zou in een pure wereld, zonder één zijweg, in een ruimte van slechts twee personen, het resultaat van hij en ik op zijn mooist kunnen zijn? Zonder één vuiltje aan de lucht? Kan ik ooit nog naar de sterrenhemel kijken zonder meer te wensen?
Ik kijk de hemel in. Gitzwart met flauwe blinkers. Komend en gaan als knipperlichten. Ik droom weg. Waar is hij heen? Zou een ander nu wel de juiste kant uitkijken en de blinkende sterrenhemel krijgen?
En dan gebeurt het. Een plotse flits en een lichtstraat. Is dit echt een vallende ster? Kan ik een wens doen? Zou ik hem terugwensen? Mijn hoofd tolt en de hemel draait rond mij. Er is geen tijd. Er is enkel nu. De flits schudt me wakker. Val nu maar, jij ene ster. Vanaf nu doe ik geen wens meer. Val nu maar en blink nooit weer.
Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.
Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.