Zijn stengel was geknakt.
Ik koos mijn kleinste vaasje:
een zure-mosselen-potje.
Daarin bloost mijn lelie
met een lichtgroen hart.
Als een ster met sproetjes
zend hij zes roze stralen,
strekt zijn witte randen uit.
Groen-witte stuifmeelbuisjes
torsen bruin-oranje knoppen.
De helmen knappen spoedig,
strooien stuifmeelkorrels
op het keukentafelkleed.
Verbleken zal de lelieblos.
Zijn bladen zullen krullen,
hun randen gaan vergelen,
zijn groene stamper stempelt grijs
en zal als laatste blijven staan.