Mocht alles nu eens concreet willen worden.
Over de dingen spreken, maakt dingen kleiner, zeg je
en alles wordt zo pijnlijk klein dat het ondraaglijk
groot wordt, al die kleinigheid, die nietigheid,
de woorden maken alles groter, lijnen snijdend alles af.
De woorden zijn atomen, denk ik, en de letters; allen sub.
En ik zie ze niet, vind ze niet, ik krijg er af en toe te leen.
Van die ene lang geleden en van die ander, heel recent.
Ze vallen in mijn ogen, glijden door mijn vingers, doorheen
mijn zijn van moleculen, doorheen mijn al wat ik niet ben.
Als je spreekt, cirkel je rond, zeg je, en je schrijven trekt
het recht, maar ik draai steeds sneller verder, tot ik niet
meer sneller kan. Op een dag stop ik met tellen,
alle rondjes die ik draaide, alle zinnen die ik kromde en
laat ik los en zwier ik af.
