Lorin Clercq

Over Lorin Clercq

Al schrijvend zoeken omwille van het zoeken

Teksten

Kaasplank

Ze at zo enorm graag kaas. Waarom ze zo graag kaas at, wist ze niet, kon ze niet zeggen. Eigenlijk had ze er ook nooit bij stilgestaan waarom ze zo enorm graag kaas at. Het was gewoon zo, net zoals haar haren blond en haar ogen bruin waren. In elk geval; van haar ouders had ze het niet, die aten liever charcuterie. Of misschien was het net daarom; omdat haar ouders zo ongelofelijk graag charcuterie aten, enkel maar charcuterie in huis haalden, dat ze, bij wijze van opstand, zich volledig overgaf aan alle mogelijke kaassoorten. Elke dag voorzag ze zichzelf een kaasplank. Er waren kazen die vaak de revue passeerden, andere kazen die zich maar eens om de zoveel tijd lieten proeven. ‘Sommige smaken moet je beperken om ze speciaal te houden’, zei ze. Tegen wie zei ze dat? Dat is niet geheel duidelijk, maar ze heeft het in elk geval gezegd. Of dat klopt kon ze niet met zekerheid zeggen zoals ze niets met zekerheid kon zeggen, maar proefondervindelijk bleek wel dat niet al te vaak geproefde smaken een soort aura rond zich creëerden en sommige kazen waren dat aura waard, waren de zeldzaamheid waard, waren het voorzichtig-omgaan-met waard en bewezen dat ook keer op keer. Af en toe stelde een stuk teleur, vaak waren dat nieuwkomers, maar af en toe betrof het oude gezanten waar ze zelf misschien wat te nonchalant mee had omgesprongen, te vaak de kaasplank had opgelegd. ‘Stelt de kaas, de smaak of ikzelf teleur,’ zei ze, ‘of de eindeloze herhaling?’ 

Lorin Clercq
12 0

(N)iemandsland

Het is vreselijk koud in dit niemandsland tussen mensen hier en mensen daar en ik hier waar geen mensen. Ooit waren ze er, hier, mij gezelschap houdend met hun schimmen, lieten mij geloven dat ze meer dan schimmen waren. We dronken en we praatten binnenin het dronken en alles leek zo levensecht, voelde werkelijk levensecht. Maar dat heb je dan met het toevoegen van stoffen; hun krachten doven de verdoving uit en nu staar ik hen recht in de ogen, al die niemand in al dat niets, in dit niets- en niemandland. Ik schreeuw in stilte: ‘Waar is iedereen gebleven’. ‘We staan recht voor je, pal voor je neus.’ Ik licht mijn hand op, betast mijn gezicht en voel dat mijn neus geen neus is, ik heb geen neus. Heb ik er een? had ik er ooit een? Ik probeer te ruiken, ruik lijkengeur zonder ooit te hebben geroken hoe lijken ruiken, maar ik ruik ze. Ik ruik lijken. Ben ik dat of zijn zij dat? Kunnen schimmen geuren? Kunnen herinneringen geuren en is dit de geur daarvan? Ik val dieper dan de grond ligt, zak het zand door, zweef door een eindig voelende oneindigheid, meer dan dit is er niet, dit is alles dat er is, zo lijkt het. Zie, zo lijkt het. Het zijn dan toch de lijken. Ik hoor het kraken onder mijn voeten, verbrijzelen beenderen zo gemakkelijk onder het stappen van een mens? Ik kijk naar beneden, probeer mijn voeten waar te nemen in het donker, maar zie ze niet. Ik zie mijn voeten niet stappen, toch voel ik mijn voeten stappen. Ik grijp naar mijn schenen, maar grijp er dwars door heen. In de verte klinkt muziek, ik herken de melodie, de stem, de woorden. Toen we dronken, lang geleden, klonk dit lied eindeloos door, doorheen de schemering, de avond, tot de morgen, heel de nacht. In gedachten zing ik mee, zingen al de schimmen mee alsof het mensen waren. Ik zeg: ‘sluit de gordijnen, doe de deur dicht, drink nog één’. En dat doen ze en dat doen we en het zingen kent geen eind. ‘Is het goed als ik hier blijf?’ zeg ik. ‘Dat is goed, blijf jij maar hier’. En ik kruip dieper de grond in, kruip een holte ondergronds in en daar blijf ik, in dat iemandsland, waar die iemand enkel ik. 

Lorin Clercq
13 2

Werkplek

Kwaad stormde ze mijn kantoor binnen dat mijn kantoor niet is. Mijn niet-mijn-kantoor is een ruimte die ingericht werd voor collega’s die in alle rust willen werken. Niet dat je er veel rust krijgt, mensen lopen binnen en buiten, de geluiden van de publieke ruimte ernaast stromen binnen bij vloed, trekken even weg bij eb en vervolgens, bij vloed, stormen mensen kwaad binnen met de melding, niet de vraag, de melding: ‘ik dacht dat er ging geholpen worden.’  Helpen wilde ik zeker, had de loper bij mij gelegd, klaar om telefoons te beantwoorden zodat mijn collega in alle stilte en rust in haar eigen kantoor zou kunnen werken, waar er effectief stilte en rust heerst en niemand binnen en buiten loopt, want de deur daar is nooit geopend. Echter bleek ik de verkeerde loper bij mij in mijn onrustig kantoor te hebben gelegd en kwam er geen enkele telefoon bij mij in mijn kantoor dat niet van mij is terecht. ‘Sorry,’ zei ik, ‘sorry’ en ging het juiste toestel halen. Mijn hart klopte onrustig en ik weet niet of dat kwam door de kwade melding of door het opgejaagd zoeken naar een toestel dat het mijne niet, maar wel mijn verantwoordelijkheid was op deze zonnige, maar koude namiddag. Vol schuldgevoel ging ik door met werken aan een tekst dat niets met mijn werk te maken heeft en alles met mijn werk te maken heeft. Een tekst over mijn werk en over al wat daar, dus hier, gebeurt. Alle gebeurtenissen zijn werkelijk een verhaal waardig. Nuja, waardig, wanneer zijn gebeurtenissen een verhaal waard? Uiteindelijk is niets en alles een verhaal waard, het hangt er steeds van af hoe je het al dan niet waardevolle verhaal verwoordt en het komt er uiteindelijk wellicht gewoon op neer om gebeurtenissen te verwoorden op een manier dat het verhaal, ook al zonder inhoud, een verhaal waardig wordt. Misschien zijn alle verhalen zonder inhoud, zijn alle verhalen met inhoud en is de inhoud en de toegekende waarde afhankelijk van de persoon die er een bepaalde waarde aan toekent, niet? Ik weet het niet, ik vraag de ‘niet’, niet om bevestiging te krijgen, maar om af te toetsen wat jij er van vindt. Wat vind jij er van? Ik vraag altijd wat jij er van vindt, maar wat vind ik er van? Dat weet ik niet en die vraag stelde ik niet aan jou, maar aan mij. Antwoorden heb ik niet, nooit, maar ik blijf zoeken, niet om te vinden, maar om te zoeken en in dat zoeken vind ik waar ik naar zoek.  Een tweetal jaar geleden kwam ik terecht op deze werkplek die een plek is waar wel degelijk gewerkt wordt, al denken mensen vaak dat dit geen werkplek is, maar een plek waar zaken kunnen opgeëist worden, waar werknemers geen mensen zijn, maar werknemers en de werknemers geen werknemers zijn maar robots die moeten kunnen blijven lachen om steeds dezelfde grappen die elke minuut verteld worden door steeds een andere klant. Een plek waar collega’s enkel collega’s zijn als zij de collega zijn en de collega een ondergeschikte en een  mens zijn voor zichzelf wanneer iemand eens iets meer vraagt en werknemer zijn wanneer het gevraagde valt onder het strikt afgebakende pakket aan taken waar niemand iets van afweet. Een plek waar collega’s kwaad binnenstormen in ruimtes die ingericht werden om in alle rust en stilte te kunnen werken om te melden dat er toch geholpen zou worden, dat was toch de afspraak? En geholpen wordt er zeker, eenzijdig, dat wel, maar geholpen wordt er zeker. Een tweetal jaar geleden kwam ik hier terecht en sindsdien heb ik mijn ogen uitgekeken naar hoe mensen omgaan met mensen en hoewel het hier vooral werken is met mensen ben ik steeds minder graag onder mensen omdat mensen, welja, mensen zijn. En ik ook, dat is het ergste. Ik heb kleine kantjes van mezelf gezien, opgemerkt, genegeerd, met het schaamrood op de wangen onder ogen gekomen en kleine kantjes van anderen gezien, opgemerkt, tegen ingegaan en met het schaamrood op de wangen beseft dat ik bij hen hoor, bij deze mensensoort waar elk lid er van een vreemde is en op de vlucht is voor zichzelf. Er zit geen lijn in het verhaal over deze werkplek en toch een duidelijke lijn. Alles verliep tot nu toe in één rechte lijn, zoals de tijd in één rechte lijn doorloopt en tegelijk kruisen gebeurtenissen elkaar, overlappen ze elkaar, gaan ze in elkaar over, kruisen ze elkaar opnieuw, kronkelen langs elkaar, is het één grote warboel en ontwar een warboel maar eens na twee jaar. Ach, wat is twee jaar. Het is eerder dat ik geen zin heb om te ontwarren, de warboel is de warboel en zou niet zijn wat het was mocht ik het ontwarren. Ik ben een ongelooflijk ongeduldig persoon en heb ook het geduld niet om een genuanceerd, duidelijk, rechtlijnig verhaal te vertellen. Dat ben ik niet, dat kan ik niet, misschien kan ik het wel, maar dat ben ik niet en hoe ongelooflijk moeilijk is het om te zijn wie je niet bent en toch ben ik zo vaak wie ik niet ben, maar wie mensen willen en verwachten dat ik ben. Nee, geen specifieke mensen, eerder dè mens. Nee, dat is ook geen waar, niet dè mens want dè mens is los van verwachtingen en maatschappelijke constructies. Dè mens zit enkel vast aan dè mens, niet aan wat dè mens en de mensen construeerden en schiepen. Ik maak een warboel van de warboel en knoop er nog wat meer touwen doorheen.  Wilde ik hier dan een verhaal van maken en verdwaal ik in een doolhof van woorden, zinnen, gedachten, dus laat ook maar. Later misschien. Misschien. 

Lorin Clercq
0 0