Hij alleen had inzage in
mijn rare kranke gedachten.
Niet de zijne.
Hij alleen maar niet de zijne hadden zich
in mijn gapende schotwonde verschanst
terwijl, gewoon geraakt aan alle dagen
oorlog, in me het verlangen
begon te groeien naar verbrijzelde
vingers en
een afwezige god.
Iemand had het me terloops nog gevraagd
en ik had “ja” gezegd met veel bleekmiddel
op mijn tong.
Hij had me ook nog getoond hoe het moest
maar ik hield het niet lang vol.
Niet toen bleek
dat het einde nakende was en bevestigd
werd dat het monster altijd had
bestaan.
