Op papier pleeg ik een lieve moord.
U bent getuige, lezer, kijkt genoodzaakt lijdzaam toe.
Op dit gedichtenschip vermoord ik mijn geliefden.
Hun is het leven al ontnomen.
Waarom een tweede dood?
Ik ruim hun afkeer van mijn verzen op.
Ik heb me nooit bij leven tegen hen verzet.
Kijk, u betrapt me nu op heterdaad.
Ik gooi mijn ouders laf in deze regel overboord.