Verdriet kon niet bij me binnen
maar lag voor me op de grond
In loszittende tegels, afgebrokkelde gevels
of rustte als een oud deken van zware wolken
op mijn schouders
De verte en de leegte over zee niet te meten
De horizon opgeslokt door een grijs van niets
Sigarettenrook drong binnen onder deuren
In wassalons draaide was die nooit
helemaal proper werd
De kapster vroeg of het lang geleden was
dat ik mijn haren had gewassen
Maar ik wist het niet, ik herinnerde me het niet
Ik wist ook niet of ze het vroeg om te vragen
of om te zeggen dat het
lang geleden was
Alleen hoe jij alles aan me toonde
De wind blies elk masker af
met mijn voeten in zee viel dat mee
maar zodra ik weer op weg naar huis was
hoorde ik geschreeuw
leek het oorlog, koningin der badsteden
terwijl je veiligheid beloofd had
Nog vind ik het ondraaglijk soms
om door je straten te lopen
achter elke hoek
ligt het daar, open en bloot
eenzaamheid van stenen en beven
je handtekening in het zand
Oostende, het is niet erg.
De zee waait, de wind golft
alles alweer weg.