Hij had lange ledematen:
lange hals, lange tors, dito dijen.
Alleen zijn schenen waren kort.
Hij leefde op kleine voet en kromme tenen.
Dat merkte hij als puber op.
Zijn jonge broers bezaten lange onderbenen.
Zij groeiden hem boven het hoofd.
Ledematen van geliefden
mat hij aan zijn O-benen af.
Knieën trokken vaak zijn oog en
schoppen tegen schenen kreeg hij meer dan eens.
Zijn kruin begon te kalen, zijn wangen vielen in.
Genen weven webben, genen zijn een spin.