Ik stofzuig een spinnenweb,
een web in de hoek van een tree.
Ik trap in de val van mijn middenrif.
Die zuigt me steeds mee: ik hang
en zweef met mijn vlies op en neer.
Het web eist voor spinnen reiswaardige
bedragen en danst op de braam.
Zo zetten het web en mijn rif
als golven veel druk op mijn maag,
verkleefd met mijn longen die kolken,
mijn maag in de hoek van de tree.
De spinnen, verstopt in het web,
betalen en reizen als vee
in boten op golven in deinende zee.