De fruitboer sprak in appels.
Ik antwoordde met knikken.
Het groen was kleiner dan gisteren
of ik was groter.
We passeerden elkaar zonder bewijs.
Werk gebeurde.
Tijd deed alsof hij nodig was.
Ik at om het eten.
Ik dronk om het drinken.
Rust lag klaar, ik ging erin liggen.
Het algoritme won op punten.
Niemand protesteerde.
Ik probeerde iets unieks te schrijven.
Het werd avond.
Het archief geeuwde.
Deze dag ging liggen
in de map
werkt naar behoren.
