Moeder plooit het laken over haar benen,
want de dood is een portret zonder glans.
houterig aait ze het kopje bij de krans,
waar een barstje op het oor is verschenen.
De avond kan ze maar moeilijk vangen,
nu alles dof lijkt, het stof zich uitsmeert
in de krakende woning die verteert,
en de sleutel aan het eind laat hangen.
Heel soms openen zich de gordijnen
en schuift er wat leven door de kieren
van het huis dat reeds op vervallen staat.
De fundering lijkt traag te verdwijnen,
de brakke muur kan men niet versieren,
even spreekt het hout voordat het vergaat.
