de straten in de nacht zijn hier open aders
en ik ben oud bloed dat zich er doorheen perst
ik loop niet, ik word voortgeduwd
door de leegte die achter me aan zit
ergens huilt een kind of is het een rem? wat maakt het uit
een kat kreunt bij een vuilnisbak, ze snapt het
ik ben geen rem, ik ben geen gaspedaal
ik ben een gapende leegte tussen twee auto’s die elkaar willen rammen
dan, kom ik jou tegen in de schaduw van een kapot stoplicht
je ogen twee peuken die blijven smeulen in de regen
"ze hebben de maan gestolen," zeg je met een stem schor van stiltes
we delen een sigaret zonder tabak, zuigen de angst naar binnen
tot het enige geluid het schuren van zenuwen over merg is
"kom," zeg je, "laten we gaan liggen waar het asfalt het zachtst is."
en zo zakken we weg in de buik van de stad
twee vergeten muntjes op de ogen van een lijk dat de rivier niet wil
morgen schrijven de ratten hun namen in ons vlees met kleine beten
en een verveelde god veegt ons weg met een geeuw van licht
maar vannacht
vannacht zijn wij nog
het gekreun van de wereld

