Hij waande zich een derwisj, een sjamaan.
Als dichter van de wind sprak hij me aan.
Ik was de dorpsoudste, de bard der Kelten.
Ik had zijn eerste schip ontwaard, zijn tweede,
nog een derde boot. Als wijze wist ik:
kwaad in de zin heeft deze vloot.
Hij vertelde dat de aarde woei
en dat ik hem volstrekt begreep.
Onze legers steunden onze ruggen,
onze troepen stormden niet naar voren.
Toch bleef de waan van de sjamaan,
de eeuwige waan van ons bestaan.