De chauffeur stopte de bus midden op de expresweg.
Mensen keken naar buiten om zich te vergewissen van een nieuwe bushalte. De jonge moeder werd nog agressiever aangekeken omdat het gekrijs van haar baby nu niet meer gedeeltelijk opging in het zachte gebrom van de motor. Jongeren die de hele rit al luide muziek afspeelden achteraan legden elkaar het zwijgen op. Een oudere man die verlekkerd leek op drama probeerde een glimp op te vangen van wat er zich voor de bestuurder afspeelde. Achter de bus steeg een concert van claxons op. De bus rook naar zweet, parfum en het stof van zetels.
Met een nonchalant gebaar tikte de chauffeur zijn beide richtingsaanwijzers aan, opende de voorste deuren en stapte uit. De zon prikte op zijn huid. Hij stak zonder de bus nog een blik waardig te gunnen de weg over en liep het bos in. Het gebonk op de ramen en gedempt geroep waren geluiden van een verleden.
Hij liep in een rechte lijn, dwars door het aanpalende bos, dat voornamelijk uit naaldbomen bestond. Het geluid van claxons werd beetje per beetje opgeslokt door stilte en geluiden van kwetterende vogels. Even bleef zijn voet hangen in wat hij dacht dat een vossen- of dassenhol was. Hij ging plat op zijn buik liggen en duwde zijn gezicht in het hol. Hij snoof diep in. Ja, dit is de perfecte plek, dacht hij.
Hij begon de knopen van zijn witte hemd los te maken. De goudkleurige dienstpenning nam hij eruit en legde hem apart. Dan deed hij zijn lederen schoenen uit. Hij ontdeed zich van de donkerblauwe broek en grijze sokken. Alleen zijn onderbroek hield hij aan. De kleren legde hij op een bed van mos. Zweet parelde van zijn voorhoofd en slaap.
Hij ging opnieuw liggen vlak voor het hol en begon te graven. Wanneer de opening breed genoeg was, wurmde hij zijn lichaam in het hol. Daarna was het stil. Een ekster daalde neer en vloog weer weg met de gouden penning.
