Vriendin

Lode Van Wabeke
9 aug. 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliked

Als het waar is dat tijd de eigenschap heeft dat ze alles vluchtig maakt en vervormt, iets waar ik nog niet verder over heb nagedacht, wil ik toch niet wachten en de schade beperken door jou een soort brief te schrijven met wat al maanden door mijn hoofd gaat. Het lijkt de beste manier om daar orde te brengen: een brief gericht aan jou, waarin ik je aanspreek alsof ik je ken en doe alsof je er nog bent. Laat me beginnen met te zeggen dat het ridicuul en zelfs onkies is om nog aanspraak te willen maken op jouw vriendschap, maar bij gebrek aan beter je toch maar vrijpostig zo blijf noemen: vriendin. Het blijft een diepe ontgoocheling dat we niet de kans hebben gehad daadwerkelijk vrienden te worden, want ik denk dat daar een goede kans toe was, al weet ik niet hoe ik het toen aan boord had moeten leggen. Het woord spreek ik graag uit, vriendin, het klinkt troostend in de oren, een aangename klank die mij doorheen de dag op een of andere manier soelaas biedt.

 

Al meer dan anderhalf jaar ben ik nu elke dag thuis. Officieel is het nog zomer, maar daarnet, wanneer een windstoot door de bomen ging en enkele al geel geworden blaren van tussen het pak blies en voor de deur van het tuinhok liet neerdwarrelen, was er toch al een voorbode van de herfst. Als overlevingsstrategie probeer ik min of meer een vaste dagindeling te handhaven, iets wat ik eens in een boek over monniken heb gelezen. Ik weet niet meer precies hoe het er stond, het ging ongeveer zo: ‘Als het moeilijk gaat, doe dan verschillende kleine dingen per dag, liever dan één groot.’ Dat was goed gezien van die paters, dat moet ik ze nageven nu ik het in praktijk probeer te brengen. Ze geven je dagelijks iets om handen als probaat middel tegen gek worden. Als ik iets te eten wil hebben moet ik boodschappen doen, wat de reden is waarom ik me ’s morgens moet wassen, aankleden en naar buiten gaan, de bus nemen en kleine vervelende maar noodzakelijke conversaties voeren. Mijn dagen worden voortdurend door triviale dingen gestut en probeer zo goed en zo kwaad als het kan dat snoer van kleine doelen af te werken. De ene dag lukt het best, de andere dag hapert de ketting al vanaf het moment dat ik rusteloos wakker wordt. Je moet me geloven vriendin, iedere dag zeg ik een miljoen keer dat ik dit niet heb gewild. Het laat me geen rust. Op die vreselijke momenten wil ik gewoon een ordinaire vluchtroute nemen. Ik rol mij als een diertje in de zetel onder het deken op en probeer alles van die dag mijn hoofd uit te gommen, al is het nooit helemaal weg als je goed kijkt, je blijft zien wat er geschreven stond. Het duurt nooit lang vooraleer het zonder aankondiging weer daar is en het ene na het andere beeld binnensluipt. Vreemd genoeg worden ze vergezeld van een jeugdherinnering waarvan ik te midden van de emotionele chaos dacht dat het niets met jou te maken had. Het heeft een tijdje geduurd vooraleer ik besefte waarom ze na al die jaren er terug is, want mijn hoofd is de laatste tijd immers een rariteitenkabinet, een circus van onregelmatigheden, een vuilnisbelt van beelden. Maar zij tweeën, die dag met zijn weerzinwekkende realiteit en dat andere, zij zijn altijd samen. En ik weet waarom.

 

Ik sta op een bijgeschoven stoel aan de voet van de massieve staande klok in de kleine huiskamer bij mijn grootouders, en hoog op mijn tenen draai ik langzaam aan de lange wijzer tot mijn grootvader laat weten dat het juiste uur bijna is bereikt. Hij staat vlak achter me om een eventuele val te voorkomen. ‘Nog een klein beetje verder Nadine, doe maar, net voor de vijf moet je stoppen’ zei hij dan bijvoorbeeld, kijkend op zijn polshorloge. Het was een vast ritueel als ik bij hen logeerde, een secuur werkje dat mij als zevenjarige werd toevertrouwd en ik gewetensvol volbracht. Het had met eer te maken, maar dat woord kende ik toen nog niet. Het verliep steeds op dezelfde manier:  bij mijn aankomst rende ik de voordeur door, liep zonder een woord te zeggen met drie treden tegelijk de krakende trap op en gooide mijn tas vanuit het deurgat de logeerkamer in, waarna ik weer vlug naar beneden stormde om het kersenhouten meubel te gaan bekijken. Wanneer de gewichten languit en uitgeput onderaan de kast hingen was het onmiskenbare teken gekomen en sommeerde ik met ongeduld mijn grootvader.
‘Opa, kom! De klok.’
Eerst trokken we samen ratelend de koperen gewichten aan de ketting omhoog. Dat was veruit het makkelijkste deel. Ik besteeg een stoel, strekte mijn arm languit richting wijzerplaat en begon te draaien.  Wanneer de Romeinse zes was gepasseerd die het half uur aanwees, weerklonk in de buik van het meubel een diepe baritonstem, dan nog eens op het uur, om vervolgens  met onverstoorbare regelmaat verder te tikken alsof er niets was gebeurd. Ik sprong van de stoel af, grootvader sloot de lange glazen deur met ingelegd fineer achter me, en nog even bleven we naar die imposante schildwacht kijken die de hele woonkamer vanaf de oostelijke muur overschouwde.

Het is ronduit lachwekkend dat ik je dit hier zo allemaal uit de doeken doe, een anekdote uit mijn jeugd, ik denk gewoon dat ik tussen alle ravage en verdriet mijzelf en jou iets probeer duidelijk te maken. Vandaag lijkt alles nog op precies dezelfde manier te gaan, behalve dat ik nu de wijzer de andere kant aan het opdraaien ben. Gek is dat. Ik zag het niet meteen, ik had tijd nodig om mij te realiseren dat het een soort werkzame, genezende gedachte is dat alles goed wil maken en wil herstellen wat ik heb gedaan. Het is het beschermende harnas waar ik me deze dagen in tooi, ergens de hoop levendig houdt dat op die manier tijd terug te winnen valt. Ik draai tegenwijzerzin en denk uitgeput dat ik al heel lang op de stoel sta. Ik heb alleen nog oog voor uren die achterwaarts gaan.
Geloof je me vriendin, als ik je opnieuw zeg dat ik dit niet heb gewild, zelfs niet voor mijn ergste vijand als ik die zou hebben? Ik denk terug aan jou die dag, wanneer ik je voor het eerst en het laatst heb gezien.

 

Na het verzamelen van alle gegevens en individuele verhoren die al een vroegtijdige veroordeling in zich droegen, begon het officiële onderzoek een kleine week later. Drie dagen op rij moesten we ononderbroken voor hen beschikbaar zijn, en in de late uren van de eerste dag vernam ik dat ook jij er bij was. Nog altijd is het een kwelling als ik aan dat moment terugdenk , een afvuren van schuldgevoelens tussen de veel te levendige details die te zwaar om dragen zijn. Ik las je naam en herkende onmiddellijk de paspoortfoto op de ellendig lange lijst, en toen dacht ik iets waar ik me achteraf voor schaamde: god, het kan me niet schelen, laat het geen waar zijn, laat het iedereen zijn maar niet haar. Veel herinner ik me van die dagen niet echt meer. Wanneer in een draaimolen steeds weer dezelfde vragen op je gericht worden om inconsistenties in je verhaal op te sporen laat je op een bepaald moment onvermijdelijk los. Zoals verwacht werd op een morgen, ongeveer vier weken later, mijn ontslagbrief aan huis gebracht. Vooraleer de postman aanbelde zag ik hem met een bundeltje het pad oplopen en een pen klaar in de hand. Bij het overhandigen herkende ik het logo meteen, een ‘V’ in de vorm van een arend die van een rotswand opvliegt en met de woorden BLUE AIR SECURITY eronder. Het deed me niets.

Het eerste wat me van die dag steeds te binnen valt is het moment kort na het telefoontje. We hebben net onze ochtendpauze achter de rug. Verdwaasd door het slechte nieuws dat ik enkele minuten daarvoor te horen kreeg en nog niet volledig is doorgedrongen neem ik mijn werkpost terug in. Ik word duizelig wanneer ik er met veel moeite in slaag het rekensommetje in mijn hersenen tot een goed einde te brengen: ‘Niet eens vier maand!’. Ik wil het van achter mijn monitor uitschreeuwen. ‘Nog geen vier maand heeft hij het op zijn nieuwe school uitgehouden! En de psycholoog zei dat het zo goed ging, ja toch? En de reacties op de medicatie waren zo veelbelovend?’ Een donkere golf van woede begint net onder mijn maag zijn opgang en snoert stelselmatig mijn borstkas verder in. Ik begin de omvang van de situatie te vatten en voel me onwel worden. Bliksemsnel gaan allerlei gedachten door mijn hoofd. Ik probeer ze te rangschikken, te begrijpen, er orde in aan te brengen maar ze blijven maar komen, net als de bagage die naast me op de band voorbijkomt. Weet je, sommige woorden zijn rake metaforen als het er op aankomt gemoedsgesteldheden te omschrijven. ‘Verlamming’ is daar een van, het meest passende woord  bij wat door me heen ging, geflankeerd door bergen machteloosheid.

 

In mijn beroep is een uiterst geconcentreerde aandacht onontbeerlijk. Tijdens de werkuren moeten alle zintuigen op scherp staan. Excuses voor half werk zijn er niet. Ik weet niet of jij soortgelijke regels kent in jouw beroep, maar van elk gepresteerd uur moeten we verplicht vijftien minuten weg van het scherm. Omdat een gezonde geest maar gedijd in een gezond lichaam wordt eveneens in een aantal sportfaciliteiten voorzien. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat een intense taakspanning het best wordt volgehouden indien ze wordt voorafgegaan door een zo goed mogelijke ontspanning van ten minste  twaalf minuten. Die had ik net achter de rug als de telefoon in mijn achterzak aan het trillen ging en nog juist de tijd had om op te nemen. Achteraf bekeken had ik het  beter niet gedaan. Eigenlijk is elke afleiding van welke aard dan ook tijdens werktijd verboden. Ik begrijp nu waarom. Ik had geen andere mogelijkheid meer dan veertig minuten lang focus proberen te houden en alle gedachten op zijn minst tot aan de volgende rustpauze te parkeren. Maar het lukte niet. Ik hoorde de directeur van Lennert  steeds weer die vreselijke dingen zeggen. Klastitularis…vuistslagen na een terechtwijzing…enkele maanden werkonbekwaamheid…burgerlijke partijstelling... En dan, na de samenvatting van de gebeurtenissen, de genadestoot: borderline. Hij deed geen moeite de beschuldigingen te verbergen en mee te delen welke heldere pedagogische principes hij en de school er op nahielden. Wat onuitgesproken impliceerde dat het systeem al generaties onfeilbaar was. Zonder maar een beetje in de buurt van het soort woorden te komen die aan begrip deden denken, somde hij een aantal punten op die onze systematische nalatigheid moesten aantonen. Het was zonder meer duidelijk dat we tekortgeschoten waren en alles een rechtstreeks gevolg was van een laakbare opvoeding. Ik was al lang verslagen toen hij nog een versnelling hoger schakelde: ‘Kom me niet vertellen mevrouw, dat het bij u nog geen belletje heeft doen rinkelen, een vierde school op twee jaar tijd?’

 

Heb jij kinderen, vriendin? Ik vermoed van wel, wanneer ik aan het speeltje denk dat je voor mij uit je handbagage moest halen. Dan heb je geen moeite je voor te stellen welke hoop zich in mij begon te nestelen wanneer na een moeilijke periode de toekomst zich voorzichtig positief begon af te tekenen. Niet dus. Mijn val die dag was diep vriendin, recht naar beneden, zo verticaal als maar kan zijn, zeker als ook mijn moeder elke gelegenheid te baat neemt om op de meest foute momenten te herhalen dat ik mijn huwelijk beter nog een kans had gegeven. Je valt naar beneden, je slaat een paar keer vertwijfeld met je hoofd hard tegen de rand aan, en op de bodem wacht de wanhoop.

Het alarm gaat af wanneer iemand onder de metaaldetector doorloopt. Ik hoor het nauwelijks wanneer mijn collega routineus de man aanspreekt en een vraag stelt zonder op een antwoord te wachten: ‘Nederlands? Français? English? Check your pockets please. Ik hoor deze woorden een miljoen keer per dag. Ik ben er getuige van hoe mensen in lange rijen aan de veiligheidscontrole aanschuiven,  waar met rustige onverschilligheid de inhoud van hun broekzakken geleegd wordt en broeksriemen, horloges, sleutelbossen en reisdocumenten in plastic bakjes worden gestopt om gescand te worden. Een paar seconden later verdwijnt de bagage achter een gordijn van rubberen lamellen en laat de monitor over de inhoud geen geheimen meer bestaan. Nauwgezet bestudeer ik de radiografische beelden van verschillende soorten handbagage, aktentassen en handtassen. Bij onduidelijke determinatie en de minste twijfel controleert mijn collega de inhoud samen met de eigenaar die kans krijgt zich te verantwoorden. Vloeistoffen en scherpe voorwerpen gaan er onherroepelijk uit, dat zal je wellicht wel weten. Gelukkig gaat het in die biotoop waar ik dagelijks in vertoef meestal over onbeduidende dingen.

Mensen grossieren in voorspelbaarheid als het op reizen aankomt. Afhankelijk van de bestemming nemen ze meestal dezelfde dingen mee. Broeken, truien, ondergoed en toiletgerief gaat de grote bagage in, en gaat pas op de hotelkamer weer open. De handbagage weerspiegelt datgene dan weer wat men tijdens de reis binnen handbereik wil hebben, wat men van bij vertrek tot de eindbestemming nodig heeft, aangevuld met aankopen uit de taxfree shop. De inhoud verraadt bijna alles over de eigenaar. Een koffer kun je een soort handtekening noemen, een persoonlijk hologram. De kleur, de grootte en de vorm kondigen aan welk type hem uiteindelijk van de transportband zal nemen. Dames kiezen meestal een middelgrote koffer met opvallende jongemeisjeskleuren en stevige wielen onder. Wanneer het grote valiezen zijn die met oude broeksriemen en brede elastiekbanden vastgegespt zijn, dan  is er overduidelijk mannenwerk mee gemoeid. We bekijken niet louter het materiële wat ter controle wordt aangeboden, maar voelen ook intuïtief aan wanneer de eigenaar en de bagage al dan niet bij elkaar passen. Er moet eenheid zijn, het plaatje moet kloppen. Op die manier hebben we al verschillende gestolen reistassen gerecupereerd  omdat er -  zoals mijn collega’s en ik in het jargon zeggen-  iets schort tussen hond en baasje. De kloof tussen een keurig geschikte tas en een sjofele, onverzorgde hand die hem vasthoudt bijvoorbeeld, kan een veelzeggend detail zijn dat ons doet gaan twijfelen. Je vraagt je waarschijnlijk af waarom ik je over al deze oninteressante dingen vertel, maar zie het als een wijze van verantwoording zodat ik er misschien zelfs nu nog in slaag aan jou een beetje begrip te ontfutselen. Mijn taak is, of liever was, en daar doe ik niets van af, ernstig en professioneel te noemen.

 

Vanuit een ooghoek merk ik dat een collega langer dan verwacht met een uitgebreide inspectie bezig is. De man met een korte broek in palmboommotief verleent nauwelijks medewerking en blijft voortdurend sakkeren dat hij nog maar zeven minuten heeft vooraleer zijn gate onherroepelijk sluit. Dat kennen we. Staat in de top drie van excuses. Ik stop de band nadat ik bij een andere passagier iets heb opgemerkt dat nagekeken moet worden. We doen het liever niet, al kan het soms niet anders door personeelsgebrek, het moet nu eenmaal eerst gebeuren vooraleer we verder kunnen gaan. Ik verlaat kort mijn post en ga eigenhandig de controle uitvoeren. Veiligheid voor alles. 
Ik loop naar je toe en je staat me achter de band verwonderd aan te kijken, niet wetend wat er aan de hand is. Je draagt een mantelpakje ( ik let niet bijzonder op klederdracht maar toevallig hou ik erg van wat je op dat moment draagt). Het bovenstukje hangt los over je schouders gedrapeerd. Je opgestoken haar, zo dik en heel anders dan het mijne, ligt half nonchalant, half gracieus in een wrong op je hoofd neergevlijd. Een haarklem heeft zich er stevig in vastgebeten en houdt alles op zijn plaats. Je glimlacht. Ik heb het moeilijk je dezelfde welwillendheid te betonen, mijn gezicht voelt gekwetst en hard aan, niet in staat om er beweging in te krijgen. Je bent niet van je stuk gebracht door mijn gebrek aan wederkerigheid. Je zegt vriendelijk: ‘ Wat is het precies dat u wil nakijken mevrouw?’
’Rechts onderaan, iets met batterijen. Laat mij gewoon even zien alstublieft.’ Je trekt de tas dichter bij je en ritst ze open. De manier waarop je handen door de bagage gaan maakt me rustig.
‘O dat!’ zeg je, en je weet onmiddellijk waar het over gaat, terwijl je lacht en het opgelucht uit de tas naar boven haalt. ‘Dát mevrouw’ zeg je met ernstige trots, ‘is een elektrisch speeltje, een diertje dat in gordijnen kan klauteren.’ Je kinderlijk enthousiasme van dat moment deel ik niet, en wanneer ik je vraag de geschenkverpakking te openen verwacht ik protest (zo gaat het elke keer), maar het enige wat ik krijg is weer die innemende glimlach. ‘Dat papier bekijken ze toch niet eens wanneer ze het na een halve seconde wild kapotscheuren om de schat er uit te halen.’ Je opent voorzichtig de verpakking en ik kijk ongeïnteresseerd naar het ding met de oranje fluorescerende vacht, een mislukte harige imitatie van een marmot, of met heel veel verbeelding een stokstaartje, dat kan ook. Ik inspecteer het voorwerp, zeg dat alles in orde is maar dat het wel raadzaam is op voorhand batterijen uit toestellen te halen.
Je gaat er niet op in. ‘Alles voor de twinkeling in hun oogjes, niet?’ zeg je, maar vermeld er niet bij  aan wie je die pretoogjes wil ontlokken. Heb je je eigen kind voor ogen, of een neefje, een buurjongetje? De warmte van je stem, de manier waarop je het allemaal zegt, de vreemde mix van mijn en jouw aanwezigheid, je lach en je volkomen rust brengen me tot tranen die ik ternauwernood kan tegenhouden. Ik ben weekhartig en kwetsbaar, en gevoelig voor elke vorm van erkenning die ik zo nodig heb. Nauwelijks zichtbaar staan de tranen klaar om uit te breken, twee uiterst kleine zoutmeertjes in elke ooghoek, maar je ziet het. Bijna ongezien leun ik ook met een hand tegen de band aan in de hoop er steun te vinden, en ook dat is niet onopgemerkt aan je voorbijgegaan. Een moment ontmoeten onze ogen elkaar en voel ik dat je de waarheid omtrent mijn bestaan kent, tot ik bruusk afbreek en ongemakkelijk wegkijk. Ik schaam me daar zo onbeschermd voor je te staan.
Ik herpak me. ‘Dat volstaat mevrouw, u kan verder. Goede reis.’ zeg ik tegen je. Ik maak aanstalten naar mijn werkpost terug te keren en ben al enkele meters van je verwijderd  wanneer ik je nog iets hoor zeggen. Ik heb het niet goed gehoord, draai me om en kijk je richting uit, tussen het lawaai van de transportband en de intercomstem die een laatste oproep tot inscheping omroept. Ik vraag of er nog iets scheelt. Wanneer je het een tweede keer voor me herhaalt neem je doeltreffend alle duisternis en vragen van die dag uit mij weg : ‘Alles komt goed.’
En je lacht opnieuw, op maat van mijn voorzichtige blik die je nu recht aankijkt.  ‘Alles komt goed, je zult zien’ zeg je opnieuw.  Je straalt niets anders dan geruststelling uit. Voor ik maar in staat ben iets zinnigs over mijn lippen te krijgen, een ‘dank u’ misschien of een andere erkentelijkheid,  maak je de tas terug dicht en loop je de grote terminal in.
‘Nadine?’ vraagt mijn collega enkele meters van me vandaan, ‘kun je…’ en wijst naar de lange rij die zich ondertussen heeft gevormd en tekenen van ongeduld vertoont. Ik zoek nog een ogenblik tussen het eeuwig gewriemel maar je bent verdwenen.

 

Al vroeg liet hij weten dat hij anders was, die zoon van me, toen hij zo geel als een maiskolf veel te vroeg ter wereld kwam en wekenlang in het ziekenhuis moest verblijven. Uit pure hulpeloosheid begin ik te lachen wanneer ik de opgestapelde zorgen rond Lennert een voor een bijeen begin te harken. In de loop der jaren zijn ze even talrijk als problematisch gebleven en gewoon maar van aanschijn veranderd, meegegroeid zeg maar. Het is waar wat ze in de volksmond zeggen: kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen. Daar in de couveuse moest dat vroeggeboren lichtgewicht veel te vroeg en op eigen kracht ervoor zorgen dat zijn longen ontplooid raakten. Ook de darmen moesten heropgevoed worden zodat ze zouden doen wat van ze verwacht werd: voedingsstoffen opnemen. Al die dingen waren toen bron van heel wat slapeloze nachten, ook voor de dokters wanneer een een zeldzame complicatie hen weer de boeken injoeg. Voor de problemen waar hij als kind niets kon aan doen en zomaar over ons hoofd werden uitgestort, daar kregen we alle begrip voor. Maar wanneer de tijd voor die zogenaamde verantwoordelijkheidszin gekomen was en hij alle krediet verloor voor wat hij nu en dan uitrichtte, conventies geschonden werden en dure raad niet opgevolgd, voelde ik dat we elke dag een beetje meer werden achtergelaten.

 

Het moment waar het om gaat en waar het in mijn hoofd nog altijd schemerig blijft, maar waar in mijn plaats de camera onweerlegbaar heeft geregistreerd, dat is het moment waar ik de wijzer opnieuw achteruit begin te draaien. Er komt een kleine rugzak voorbij, een doodgewone zwartrode studentenrugzak met zijzakjes die achter de lamellen van de afgeschermde box verdwijnt.

 

Ik zie niet wat ik had moeten zien.

 

Het is vreselijk om dat toe te moeten geven na alle trainingen waar ons op afwijkende vormen werd gewezen, op maskeertechnieken, waar ons geleerd werd een gelaagde compartimentering te herkennen en de voorwaarden op te noemen om een unipolaire luchtdrukontsteking tot stand te kunnen brengen. Vriendin, het spijt me zo, maar ik zie het niet, mijn ogen kijken wel naar de monitor maar zien niet. Waarschijnlijk is er op dat moment in het corpus eveneens een duidelijk afwijkende densiteit waar te nemen waardoor de zone een verdachte kleuring op het scherm krijgt. Ik zie ook de ragfijne staaldraad niet die precies het midden doorboort. In plaats daarvan zie ik Lennert en de heisa die oplaait aan een vuur dat ik niet kan beheersen.

Het is uitgesloten dat ik naar mijn man terugkeer. Ik heb het geprobeerd, maar hij was de eerste die me in dat nieuwe samenzijn alleen liet wanneer het moeilijk ging. Men zegt dat het beter is voor de kinderen, dat een moeder en vader in huis altijd beter is. Dat was het morele ideaal waar ik me liet door leiden. Misschien is dat zo voor anderen, maar niet in ons geval. Lennert zou zich nog roekelozer hebben gedragen waren we nu nog samen geweest, de ruzies pookten de agressie in hem op en riepen wellicht naar zijn eigen duisternis, maar het blijft een veronderstelling, het leven is geen vergelijkende studie. En wat mij betreft: onwetendheid is zowel een vloek als een zegen.

De rij wordt kleiner. Zes intercontinentale vluchten die in de vooravond opstijgen zullen rond vijf uur nog voor een piek zorgen, maar het grootste deel is achter de rug. Het gaat er ontspannener aan toe, wat niet wil zeggen dat we onze aandacht verliezen. Na een half uur is de rij zo goed als opgedroogd, al sijpelt er af en toe nog iemand door. Onze dienst loopt bijna ten einde.
Twee en een half uur later, op het moment dat ik mijn auto op de parking opzoek en je glimlach als een warme gloed opnieuw voor me zie, een vreemde engel die het uitgelezen moment en de juiste woorden uitkoos, verdwijnt driehonderd mijl uit de kust van Schotland vlucht DL 714 van de radar.

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem verder op weg.

Lode Van Wabeke
9 aug. 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliked