Ma draagt het voorjaar in het stilleven
dat zich uitstrijkt als een vergezicht.
Samen wil ze zijn, mijn haren krullen;
in haar handen bloei ik weer op als nieuw.
Het liefst plant ze mij als een bloem
die de zomer gracieus kan beschrijven,
niet als een stuk wrakhout dat de kust aait,
en dikwijls aan haar pijnlijke voeten schaaft.
Morgen leg ik haar uit in meerdere stukken:
problemen, vergissingen en andere zaken
die naar volledig begrip en uitleg talen.
Ze ligt prachtig in het schilderij van haar dromen,
dat sluimert naast vaders laatst gerookte pijp;
haar onzekerheid heeft ze nog niet begraven.