Soms weet ik precies waardoor het komt, kan ik achteraf aanwijzen wat het was dat iets in gang zette, een opmerking, een blik, een situatie die te veel leek op iets van vroeger, en dan is het pijnlijk maar begrijpelijk, omdat er tenminste een aanleiding is die ik kan volgen.
Maar er zijn ook momenten waarop die aanleiding er niet is, waarop het dagenlang rustig is geweest en ik functioneer zonder voortdurend op scherp te staan, en het goede gevoel niet groots of euforisch is maar gewoon stabiel genoeg om niet voortdurend met mijn triggers bezig te zijn. Dan ineens is er een moment waarop het omslaat, zonder waarschuwing, zonder duidelijke reden.
Mijn gedachten krijgen een dwingende toon die ik herken maar niet kan stoppen. Het meest verwarrende is niet dat het gebeurt, maar dat ik niet kan aanwijzen waarom, dat er geen fout is die ik kan herstellen en geen knop die ik terug kan zetten.
Soms is er een aanleiding, en soms is het gewoon de stilte na de spanning, het moment waarop mijn systeem geen gevaar meer ziet en alsnog besluit dat het tijd is om alles te voelen wat het zolang heeft vastgehouden. Dat maakt het verraderlijk, omdat het slechte gevoel niet komt wanneer het logisch is, maar juist wanneer ik begin te vertrouwen op het feit dat het even goed gaat.
En misschien is dat wel de kern van dit alles: dat ik niet instort tijdens de storm, maar erna, wanneer mijn lichaam eindelijk stopt met overeind blijven.

