ik trek het pasgewassen t-shirt
over mijn hoofd – ik heb het niet
zelf gewassen – dat heeft zij gedaan
(vrouwen wassen niet meer,
zei mijn grootmoeder zaliger,
ze douwen oep knöpkes)
ik kook spaghetti en verberg daarna
voor haar de sausvlek
(ik had beter een voorschoot aangedaan)
schrob verwoed aan de lavabo in de wasplaats