Het water is verdwenen.
Zijn blauwe huid blijft achter,
gebarsten onder bladeren
in de schaduw van de plank.
Ik kniel bij de afvoer.
Onder het roest wacht licht,
te zwak om iets te redden,
te warm om los te laten.
Ik leg mijn hand erop
zoals je een hand legt
op de rug van iemand
die je nooit meer terug zult zien.
Wanneer ik opsta,
sluit de kou zich achter mij
als water dat zich herinnert
hoe diep ik ooit ben geweest.

