Ik spring niet langer,
dat bommetje vol kracht
als toen in het zwembad.
Nu schrijd ik de trap af,
wat stram in de benen.
Het dragende water wacht.
Ik glij met de tijd,
adem in, adem uit,
onder en boven,
het water leidt.
Waar zijn de vriendinnen
en spelende kinderen,
klaterend in water,
mijn zeemeerminnen.
Ik tel elke baan,
mijn ritme, mijn tempo,
Ik draai en begin
Van voren af aan.
Een pauze, een glimlach,
de jonge vrouw kijkt.
Ga maar en zwem maar,
feller en sneller, ach
In het diepe laat ik los,
zie het dalen onder mij
Zink maar rugzak.
Zink maar zorgentros.
Daar is mijn laatste baan,
mijn kilometerwater,
mijn streven bereikt.
Ik word oceaan.
Ik stap uit het water
Heupwiegend zacht.
Ik kijk om en weet,
Ja, winter mag komen,
Er is nog veel water,
geduldig dat wacht.