Zeg eens, Aalsterse riooldichter die vier keer meedeed met Weesgedichten.
Wat vind jij van die besparingen, weifelende bibliotheken, impotente bovenlokale instellingen en andere schrale batsers?
Nou.
Van zulke budgettaire beleidsvoodoo snap ik geen kneiterballen.
Ik houd er mij dus liever ver van weg.
En laat de brandende tonnen en mestrieken over aan luitjes met meer kennis van zaken.
Die ongetwijfeld ook weten wat auteursrechten en reproductievergoedingen zijn.
Toch?
Want ik kan alleen maar dichten.
En dat doe ik graag met deze eulogie.
Dankbaar voor alle ramen
en de inzet van de lieve Utopia-mensen
de voorbije jaren,
en tegelijkertijd bedroefd voor een wereld
waarin ome Lucebert eens te meer gelijk krijgt:
‘Alles van waarde is weerloos.’
***
Op een dag
verschijnt hier
een zin
waar je compleet versteld van staat
tenminste, als het schepencollege
niet op Weesgedichten bespaart
een versregel, fragment
of enkele verdwaalde woorden
die je weer ergens doen in geloven
wanneer alles in je leven
compleet naar de kloten gaat
iets vertederend
iets weerloos
iets onvoorstelbaars
waardevoller dan
wat geldzakken ooit zullen vullen
wat schrale batsers ook mogen lullen
want de straten zijn sowieso al
veel te kleurloos
schilder ons dus liever nog
een zeemansliedje
dat het ruime sop kiest
van raam tot raam zwerft
tot het op je venster thuiskomt
om daar voorgoed
in je binnenste te sluiten
letters die je vastgrijpen
onder je huid kruipen
of gewoon iets
schunnigs op de ruiten fluiten
dat je even doet grijnzen
en de treurnis
laat verdwijnen
een beetje troost
in elk handgeschreven woord
een stift die het
vers gekuiste glas kust
als puberliefjes
in de fietsenstalling
je wist niet wie je was
voor je het eindelijk las
en voor je het weet
gloei je nu mee
met een zin
die je nooit meer vergeet
bewaar het dus in je wezen
bewaar het in je hoofd
en koester het
voor altijd
in al je kloppend rood
als je slentert
voorbij de ruiten
en de hele wereld
valt weer in duigen
laat het woord
dan meer dan ooit
op de ramen staan
want Weesgedichten
mag niet
in besparingsrook vergaan.

