tederheid
kwam langs en heeft
de romantiek gedood
omdat zij loog
kunnen wij
nog wegkruipen een aanraking
vermijden zonder brandwonden
zonder randverschijnselen
die ommewegen
hebben zichzelf aangeduid
tijd wil armen strekken
glijden over heupen
van de onschuld en de
bulten in het landschap
aan de einder
fluistert een verlegen horizon
dat hetgeen erachter ligt
reeds lang bestaat
toch wil ik reizen in jouw geest
mijn liefste
kleed je terug aan
het vuur in mij zoekt enkel
littekens die ooit door
onheil zijn geschreven
in de woonkamer
die stoelen vond voor stilte
voor haar vriend geduld
is niets dat luidop zwijgt
ik heb het bord alvast versneden
hongerig wil niet ik nu blijven
anders grolt helemaal niets
is er geen poesje bang
tederheid is huiverig
mijn schat
omdat zij liever schuchter leeft
we zullen wachten
dacht de spin die webben
weeft voor schone vlinders
kaarslicht rest ons in de duisternis
ik kan je blik zien zonder kijken
vergeleken met een blinde
heb je mooie ogen
echt ik hoop
dat je het durft
het mesje neemt
die ader oversnijdt
waarin een glimlach zich
verscholen hield
misschien ook
wij voor ons
uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'