de zon schijnt magertjes door een onvast jasje van grijswit craquelé
op kousenvoeten sluipt de wereld naar november
het moppert hier in daar in kil geworden huizen
er zijn fornuizen in de weer met appel en kaneel
het kaasjeskruid houdt dapper stand, de tagetes gloeit nog rood
bloemen weten niet van tijd, zij wortelen in licht en warmte
en de mens, jij slimme meter, denkt vooruit in wintermaanden, al voor
de zon in kracht afneemt blik jij de zomer in, in kelders vol conserven
pompt haar rond door ondergrondse buizen, jouw zomer schuilt
in dikke mutsen, kruipt met jou onder de wol
als de wereld koud en donker en de bloemen afgestorven
knip jij je namaakzonnen aan en laat de winter buiten staan
jij zomermens wordt winterwaarts
een ware held op sokken

