Ik zit midden in een doos, bestast de wanden.
Besef breekt door: tussen wanden sta ik.
Mijn doos staat open: wat raar te dazen
dat ik tussen wanden waak.
Even dool ik, voel ik doos in doos.
Door mijn microtubuli voortgebracht,
hangen deze verzen in het weefsel
dat de wereld vormt.
Mijn brein, van eigen doos bewust,
klapt weer naar zijn basis terug:
ik betast de wanden, ben wakker,
bezet opnieuw mijn doos,
de doos is dicht.
Mijn gedicht versterkt het weefsel
en mijn lezer neemt ook deel.