De dag na de storm doet de staalblauwe hemel alsof er niks gebeurde de dag ervoor. De zonnestralen sporen me aan om een wandeling te maken. Samen met mijn vriend trek ik de Brugse Vesten op. Op het pad liggen dode takken, ideaal brandhout vertelt mijn lief. Ik kijk omhoog en zie de dikke takken van de witte kastanjeboom die als jonge boomstammen aan de flanken vastzitten. Elke tak lijkt wel een boom op zichzelf. Het boezemt me angst maar vooral ontzag in.
Hoe sterk een boom ook mag zijn, in de storm verliest hij wat hij niet nodig heeft. Soms wordt zelfs ontnomen wat nog nodig was. Ik denk aan het brandhout dat ik ooit verloor. Aan de wortels die vanonder mijn voeten losgerukt werden. Aan de takken waaraan ik nieuw leven wou laten groeien maar waar het zonder reden stierf.
We wandelen voorbij een gevelde boom. Het hout lijkt op het eerst zicht nog fris en jong, maar als we dichterbij komen, zien we dat de kern van de stam donkerbruin kleurt. 'Kernrot’, zegt het lief. Het deed me denken aan de gedachten die me soms van binnenuit verteren. Kunnen mensen bomen worden?
Wuivende struiken trekken mijn aandacht. Zij zijn wonderwel ongeschonden, en op hun fijne takjes zie ik de eerste bloesems. De fragiele poederroze bloemknopjes dansen in de wind. Ik glimlach bij zoveel onverschrokken hoop. We wandelen door, met een vleugje lente in onze tred.