Je nam me mee mevrouw Akerman, ik liet mijn onwetende hand in jouw wetende en leidende, zag jouw familie, de hoofdrol voor jouw moeder. Ik zag jouw zus in haar rol. Ik zag via jouw moeder de mijne, liet jouw hand even los om haar op te zoeken maar keerde me om, toch terug naar jou. Via jouw zus zag ik de mijne maar niet lang want Clara leeft nog en de mijne is dood. Er zijn zoveel doden Chantal. Je nam me mee aan jouw schrijvende hand naar bruiloften, naar begrafenissen, naar appartementen, naar bedden. Ik zag je maar leerde toch vooral om jou te zien. Om jou te willen zien. Dat doe je met aandachtige lezers, dat was ik van zin één tot de laatste. Ik wil nu alles! Ik wil met jou de stad in, naar dat Mexicaanse restaurant. Ik wil met jou naar de kapper mét het blauwe oog door C jou bezorgd had.
Je gaat met je nieuwe kapsel mee met mij? Naar mijn moeder die me vraagt hoe het gaat, naar drie vragen die verband houden met mijn welzijn in mijn leven. Dan de opmaak van het boodschappenlijstje, het hare voor haar avondeten. Dan haar ziektebed waar ik een stoel bij zet. Waar de stoel zonder stem, ik zonder klank. Mijn moeder was niet in de kampen, nooit was zij daar. Het huwelijk was haar kamp waar ze geslagen werd maar niet met gas bedreigd. Wist jouw moeder? Niemand weet wat zij, jij evenmin. Geen spreken daarover. Enkel de spanning, de emotionele zwaarte, geen sprong naar blijdschap.
Je nam me mee beste Chantal, ik liet me leiden naar mijn moeder, dan weer mijn dochter aan het woord, dan de hond waarvoor mensen in de regen lopen. In steden hangen de buien van geweld. Vanwege trauma, schrijf je. Natuurlijk begreep je C. want C. en jouw moeder hadden iets gemeen. Een wonde die maar niet genas.
Wat een boek Chantal! En wat een prachtige laatste zin, adembenemend die zin.
