Zestien op een rij (lente)

5 mei 2026 · 6 keer gelezen · 1 keer geliket

Ik heb alweer mijn rij van zestien

bomen op het kerkhof opgezocht.

Het noorderpad bevat eerst geen grind

en slingert zacht een lichte helling op.

Kiezels laten graven links liggen, rechts

zomen Japanse kersen het grindpad af.

Aan de andere zijde van de dodenakker

geen pad, geen kersen, enkel pijnbomen.

 

Drie wachters lagen na de winter om.

Jongens sloegen zwavelhoeden weg.

Onthoofde schimmel, wit en bros,

lag in pulver op het pad.

Op stammenbulten prijken resten grijs,

eronder zwellen, opnieuw en plakkerig,

geel-oranje kommen en schelpen.

 

De dertien overlevers heeft een dienst

met een peloton prunussen versterkt.

Nu staan er in de lente vierentwintig

in 't gelid, een wittebloesemzee

die kale boomgenoten

en verlaten grijze graven afschermt.

Lager bieden rechte stammen en

kromme knoesten doorkijkjes naar

ingezakte grafstenen, neergestorte

platen, abstract beeldhouwwerk.

 

Staan deze wachters op de grens

van dood en leven? Neen, ze staan

er middenin: bruinrot lepelt kernhout

van bonkige stammen uit, sap stroomt

opwaarts in het spint. Getordeerde

zuilen torsen overdadig wit, bordeauxe

blaadjes stemmen op frêle roze

kronen van prunussen af, oud en nieuw

schudden witte schilfers naar hun voet.

 

Ik heb opnieuw mijn Japanse kersen

opgezocht en zing: 'Old man,

look at my life, I'm a lot like you were.'

Hier worden rijken niet gescheiden,

grenzen niet bewaakt.

Geen tips van sluiers. Hier vloeit alles in elkaar.

Dood en leven hier verbonden, wat ontbonden

wordt, gaat er ook in op.

 

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

5 mei 2026 · 6 keer gelezen · 1 keer geliket