Ik heb alweer mijn rij van zestien
bomen op het kerkhof opgezocht.
Het noorderpad bevat eerst geen grind
en slingert zacht een helling op.
Kiezels laten graven links liggen, rechts
zomen Japanse kersen het grindpad af.
Aan de andere zijde van de dodenakker
geen pad, geen kersen, enkel pijnbomen.
Drie wachters van me zijn gesneuveld,
al hadden jongens met een stok
hun zwavelzwamhoeden weggeslagen.
De onthoofde schimmel, wit en bros,
lag een tijd in pulver op het pad.
Op stammenbulten prijken resten grijs,
eronder zwellen, opnieuw en plakkerig,
geel-oranje kommen en schelpen.
De dertien overlevers heeft een dienst
met een peloton prunussen versterkt.
Nu staan er in de lente vierentwintig
in 't gelid, een wittebloesemzee
die boven ooghoogte kale boomgenoten
en verlaten grijze graven afschermt.
Lager bieden rechte stammen en
kromme knoesten doorkijkjes naar
ingezakte grafstenen, neergestorte
platen, abstract beeldhouwwerk.
Staan deze wachters op de grens
van dood en leven? Neen, ze staan
er middenin: bruinrot lepelt kernhout
van bonkige stammen uit, sap stroomt
opwaarts in het spint. Getordeerde
zuilen torsen overdadig wit, bordeaux
blaadjes stemmen op frêle rose
kronen van prunussen af, oud en nieuw
schudden witte schilfers naar hun voet.
Ik heb opnieuw mijn Japanse kersen
opgezocht en loop te zingen: 'Old man,
look at my life, I'm a lot like you were'.
Hier worden rijken niet gescheiden,
rigide grenzen niet bewaakt,
geen tips van sluiers opgeheven,
hier vloeit alles in elkaar.
In kringloop zijn dood en leven
hier verbonden, wat ontbonden
wordt, gaat er ook in op.