Zij was zo
mooi
zoals ze lachte met haar wenkbrauwen
en nooit geen tanden bloot.
Zoals ze met haar ogen
naar mijn woorden
ving
als een visser naar
zijn parels,
onverholen.
Zij was zo
mooi
zoals ze haar nakende onbehagen
met
een sjaal vol blikkend blozende bloemen
en mij
de das omdeed.
Zoals ze
uit de schijnbaar losse pols
geraffineerd
mijn zwijgzame grillen
deed bezwijken
voor haar luide willen
of andersom.
Ze was zo
mooi.
Zoals ze zat
achter die valse dijk
van dun papier
en mij
verzamelde tot
haar geveld verhaal.
Zij was zo.