De wind is al dagen op als ze hen zien komen.
Billy Budds huid is kurkdroog en zijn gelaat heeft de trekken van een honderdvijftig jaar oude Comanche. Hij beweegt zich over het zeilschip als een ratelslang die zijn schubben verliest en zichzelf binnenste buiten wil keren. De Commodore kijkt ernaar en denkt aan zijn moeder Madame Nybros. Waarom trekken we naar zee? Waarom verlaten we het nest? Rivieren ontspringen aan ondergrondse bronnen zoals gedachten uit het onderbewustzijn, en de zwaartekracht stuwt hen naar het grootste meer ter wereld dat al het land omhelst als de armen van een moeder. Alle jongetjes houden van haar maar zijn ook doodsbang. Zelfs als mannen zijn ze pas vrij als ze zich op een houten ark begeven en haar golven en stormen trotseren. Dat denken ze toch. Maar nu is haar wispelturigheid elders, het is doodstil. Onzichtbaar voor menselijke zintuigen levert de zee in de duisternis strijd met magische geesten en krachten, titanen en hemelbestormers, om zo de kosmos voort te jagen.
Lodewijk en Billy Budd turen naar de horizon en zien de vrouwelijke rondingen van de aarde. Loodrecht boven hen priemt een blind en gek makende zon. Dit zijn de tropen. Hier op de evenaar is die vuurbal even verschroeiend en vernietigend als leven schenkend. Ze hangen puffend overboord en kijken in een mijlendiepe oceaan. Toch zien ze de bodem. Zeesterren dansen daar voor hun ogen op muziek die voor de Commodore decennia ouder klinkt dan voor Billy Budd. Ze verlangen deze sponsachtigen te vergezellen in hun mazurka en hemellichamen te worden, maar ze weten dat hun schip op zee nog even hun thuis is. En welke haven ze ook aandoen, Madame Nybros wacht daar steeds op hen.
Het zoutkristal blinkt op het uitgedroogde houten dek. De boot smacht naar zoet water. Billy en de Commodore bevinden zich in het universum tussen waken en slapen, en het is dan dat ze hen zien komen.
Honderden eendjes drijven op onzichtbare stromen en omsingelen het schip. Rond de boeg is tussen het gele dons van hun verenpalet geen zeewater meer te bespeuren. Ze kwekken erop los, trappelen met hun oranje zwemvliezen en blijven komen terwijl ze hun vleugeltjes spreiden. Ze trappen over elkaar om aan boord te geraken en ze kruipen in alle in- en uitlaten van het schip. En dan ziet de Commodore haar, de moederkloek, reusachtig als het schip zelf, baarmoeder van alle woerden en pielen ter wereld.
'Billy, dump al de olie en smerigheid aan boord die je maar kan vinden, open de tanks en bilgepompen nu!'
Beide mannen komen in beweging, net als het schip. Kranen worden opengezet, en leidingen onder druk spuien hun inhoud. Pompen en darmen maken hun obscene bewegingen als giftige insecten en hun verpoppende maden. De geur van verrotting en petroleum hangt overal, en het geel van de eendjes wordt verdrongen door het zwarte goud van de aarde. De moederkloek komt dichterbij en ze vrezen haar wraakzucht, maar dan zien ze dat ze van rubber is, net als al de kleintjes. En als ze hun fout inzien, sist de moederkloek. Lek verschrompelt ze gedurende langzame uren tot de nacht invalt. Aan de hemel verschijnen eeuwenoude mythen, maar op de bodem van de zee dansen de zeesterren niet langer.
'Commodore, wat hebben we gedaan?' vraagt Billy wanhopig.
Lodewijk draait zich weg, gaat in zijn gedachten weer jaren terug in de tijd, en huilt als een klein kind in de schoot van Madame Nybros. Zij troost hem zoals enkel een moeder dat kan, want ook zij is een baken temidden van een zee van onverschilligheid. In haar armen valt hij weer in een rusteloze slaap.
Elbow - The Birds (Lyrics)
