Tussen kleuren, noten, snaren, geuren
Verscheen plots jij.
Daar zittend.
Zomaar.
- Verwikkeld in tijd misschien -
Jezelf te wezen.
Vreemd maar toch niet onbekend.
Ik keek je aan
Jij smeed een band met je gitaar
Je ogen verdwaalden in de mijne
Ik schreeuwde dat de huizen ervan beefden
Jij hield mijn hand vast en lachte…
Dus schreeuwde ik nog meer
We dansten
En niets maakte nog uit.