De dagen zijn verkalkt.
Het leven sijpelt er nog door,
wit en stroef.
Wat eruit komt is schraal,
een lauwe woordenwisseling
tussen links en rechts,
beiden dezelfde tong gebruikend
om het tegendeel te likken.
De provocatie regeert.
De nachten zijn dichtgeslibt.
Onveiligheid staat overal in file.
Hij rijdt voorbij op zijn fatbike,
onverschilligheid achterop,
hand op de schouder.
Iedereen is verontwaardigd.
Verongelijkt.
Altijd is er een ander schuldig.
Altijd een ik dat slachtoffer is.
Ook dat andere ik.
Zondag is dwaas.
Het gaatje in de binnenband van de week.
De dag waarop de mens wordt leeggeknepen
tot beweging,
tot vrijheid,
tot iets doen.
Nog even,
voor zes dagen ergernis opnieuw beginnen—
vanzelfsprekend door de ander,
en door het systeem,
dat nergens staat
maar overal stuurt.
