tjonge jonge wat ben ik heilig vandaag,
ik ken de hemel als mijn binnenzak,
ik heb een 1-1-2tje met god,
ik sla graag loos alarm,
heiligheid wil gehoord worden.
ik sta naast mijn schoenen,
ik ben erop uit het mensdom met
onbedekte voeten te treden.
het moet gezegd: ik kan beter zingen
dan Hildegard von Bingen
mijn stem komt hoger,
schalt met onbezonnen zuiverheid
door het luchtruim,
een toontje lager ken ik niet.
ik schijn al zo heilig
maar alsof dat niet genoeg is
ben ik strijdbaar bovendien,
met gebalde vuisten
bestorm ik heilige huisjes
en vecht wat krom is recht,
ik lach om Jeanne d’Arc,
ach, ze deed haar best.
ik ben geroepen,
ik streef naar hoger hemel,
ik droom op de toppen van mijn kunnen,
zelfoverstijgend verklaar mijzelf zalig,
vanuit den hoge kijk ik
en buig neer.
ik knik koninklijk naar de kleurloze
kinderkolonie daar beneden, krioelende
mieren zijn het, ik buig nog wat dieper,
ik zie hoe ze me aangapen,
prevelend, stuurloos, dolgedraaid.
ik groei ervan, ik rek uit,
onmerkbaar verlies ik aan lichtgewicht,
mijn voeten worden van hun stuk
gebracht, ik sla dubbel in mijn eigenwaan.
ik wist niet dat je ook te ver kan buigen,
dat barsten ook een optie is, dat je niet al bij
leven het tijdelijke met het eeuwige kan
verwisselen, heilig waan ik me veilig,
tot ik topzwaar begin te tuimelen.
ik val uit mijn heelal, ragfijn stort ik neer,
mijn zwevend bestaan spat uiteen in
twijfelstemmen en klaagzangen,
er zit niks anders op dan een vleeshemd
aan te trekken en mijn voeten te steken
in de stoute schoenen van een
sterveling, eeuwige zwerveling,
voor altijd op weg naar een rustplaats.
