Ik weet niet of ik haar graag zie. Ik mag haar, dat wel, maar graag zien is nog vijf bruggen verder. Daar geraak ik alleen als de bagage te dragen is en er zo goed als geen twijfels zijn. Maar zij is een twijfelgeval. Om duizend en één redenen die elke seconde wisselen in soortgelijk gewicht.

Zo spendeert ze te veel tijd in haar hoofd. Even niet opletten en haar ogen bollen naar binnen. Daar daalt ze zonder enig zelfbehoud af naar de krochten van haar zijn, om met de armen op de rug rondjes te draaien en te schoppen tegen elke verdachte steen. Eerst een beetje aarzelend met de punt van haar schoen, daarna zo hard ze maar kan, om te kijken wie of wat ervanonder komt gekropen. Altijd een risico, dat duiken onder de oppervlakte, maar ze kan het niet laten.

Zodra ze de binnenkant beu is, richt ze haar pupillen naar buiten. Dan is ze meestal zo duizelig dagblind dat ze niet ziet wat er vlak voor haar voeten ligt. Dus trapt ze wel eens in een hoop stront, of ze stoot zich weer tegen een van die stenen die ze net heeft weggeschopt. En dan schaam ik mij voor haar. Zo diep, dat ik naar de eerste de beste straatsteen staar en gebaar dat ik haar niet ken. Of ik word kwaad. Zo kwaad dat ik haar trut, kalf en koe noem. Dan doe ik dingen die niet schoon zijn en dat is dan natuurlijk allemaal haar schuld. De trut.

Ze moet ook niet zo verdomd gevoelig zijn. Eén platte kat op de baan en haar hele voormiddag is om zeep. Twee scheve blikken naar haar leren broek en ge riskeert een pak frieten in uw gezicht. Drie klappen op de overbuurjongen en ze droomt nachtenlang van de afgehakte losse handjes van zijn vader.

En toch mag ik haar. Omdat ze luistert voor ze praat, nog het liefst met een mond vol zoet. Omdat ze naar me zwaait op straat, en dat alleen niet doet als ze haar bril niet draagt. Omdat ze wil dat het mij aan niets ontbreekt, ook al mist zij veel.

Misschien moet ik haar toch maar eens iets cadeau doen met kerst. Geen ketting, want ze buigt niet voor bling. Geen strijkijzer, want alleen al de gedachte aan huisvrouwen maakt haar moe. Haar eens goed tegen mijn hartkleppen drukken, dat ga ik doen. Haar oren uitkuisen en fluisteren dat ze er mag zijn, dat is een gedacht.

En als ze het niet wil horen zal ik roepen. Roepen tot mijn stem overslaat en haar oren nog meer tuiten. Roepen tot ze het voelt in de toppen van mijn tenen. Tot ik heel even stop met tegen stenen te schoppen. Tot ze het snapt. Dat ge eerst uzelf graag moet zien voor ge een ketting koopt voor een ander.

Geschreven door a little bit of soap op 17/12/2013 - laatst aangepast op 19/01/2014

  • proza
  • autobiografisch schrijven
  • column

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home