Zandkorrels doorzeefden de zonneharpen die rood en moe door het gebladerte braken. Met elke beweging van Roels schepje tolde het zand omhoog om daarna weer de zandbak in te zinken. Al een half uur was hij zandkastelen aan het bouwen. Een rijk voor koning Roel. Daarvoor had hij alle spades, harkjes en emmers uit de speeltuin verzameld. De meeste andere kinderen waren toch al weg. De schommel werd nog slechts bewogen door wind en de glijbaan schoof uitgeput de laatste zandkorrels van zich af. Op het terras zaten nog een paar ouders met lome, uitgespeelde kinderen. Hoewel de geur van wafels en pannenkoeken nog in de lucht hing, waren de meeste tafels al afgeruimd en herinnerde alleen een leeg flesje aan vroegere aanwezigheid. 

Roel had enkel oog voor zijn zandkastelen. Tien omgekiepte emmers stonden er als torens te pronken. Nu lag hij op zijn buik en kerfde hij met een scherp takje in de muren, die door grillige verticale lijnen op pilaren leken te steunen. Het kasteel werd een tempel. Koning Roel werd keizer Roel.

Een mier liep vanuit het zand kietelend op Roels hand. Roel drukte haar plat met zijn duim. Hij voelde het kleine lijfje kraken tegen zijn huid en veegde de bruine vlek weg met een glimlach.

Een gelig insect scheerde plots brommend voorbij. Roel ging rechtop zitten en kliefde met zijn hand door de lucht. ‘Weg, wesp!’ 

Het diertje vloog opnieuw vervelend brommend rond zijn hoofd en dook toen de bomen onder. 

‘Dat is geen wesp, maar een horzel’, klonk een hoog stemmetje. Vlakbij Roel stond een kereltje met blonde krullen. Roel had hem nog niet eerder gezien. Zat hij daarnet op het terras?

‘Scheer je weg, dikzak’, zei Roel op een toon die hij van zijn moeder gewoonlijk niet mocht aanslaan. Het jongetje bleef echter staan en staarde naar zijn voeten. Zijn blote tenen wriemelden als wormpjes in het zand.

‘Vind je me dik?’ vroeg hij toen. ‘Wat is dat eigenlijk, dik?’

Roel lachte. Wat een onnozel ventje. Begreep niet eens dat Roel hem uitlachte. Was misschien ook de eerste keer. Nou, het zou niet de laatste zijn.

‘Jij bent dik. Dat zeg ik toch net? Zie je daar staan, met je dikke armen en benen.’ Roel plakte er een voldaan lachje achter. 

Het jongetje hield zijn hoofd schuin en haalde zijn schouders op.

‘Dus ik ben dik, omdat je mijn armen en benen dik vindt?’ vroeg hij. 'Misschien zijn mijn kleren wel te klein.’

Roel schudde verbluft zijn hoofd. Wat een vervelend ventje! 

‘Nee, jij bent dik’, herhaalde Roel en hij beklemtoonde de ‘jij’. ‘Waarschijnlijk geeft je moeder je alleen hamburgers te eten?’

Die toevoeging beschouwde hij als het einde van het gesprek. Tevreden draaide hij zich om en richtte hij zich weer op zijn bouwwerk.

‘Eigenlijk lust ik geen hamburgers.’ 

Het schrille jongensstemmetje echoode tegen Roels muren van zand. Met een ruk draaide Roel zich om. Daar stond de krullenbol nog steeds. 

‘Lust jij ze wel? Hamburgers, bedoel ik. Ben jij dan ook dik?’

‘Ik ben helemaal niet dik, joch!’ riep Roel. Dat laatste woord surfte op een klodder spuug uit zijn mond.

‘Ik ben zo sterk als een beer! Zo dapper als een koning! Zo machtig als een keizer! Hier is mijn rijk en dikkerds zoals jij, die amper een emmertje kunnen opheffen, zijn NIET welkom!'

Nauwelijks onder de indruk kwam het jongetje dichterbij en hij raapte een plastic emmertje op. 

‘Kijk, ik kan dit emmertje zonder moeite opheffen. Jij zegt dat dikkerds dat niet kunnen. Dus ben ik niet dik, toch?’

Elk woord van het jongetje leek door de lucht te gieren en met een smak tegen Roels wangen te beuken. Hij voelde hoe die roder en roder werden.

‘Dat is MIJN emmertje’, snauwde hij. Hij stond op en graaide het plastic speelgoed uit de hand van het jongetje. Die wankelde even en stootte zijn voet tegen een zandkasteel. De bovenkant stortte in elkaar. 

‘Als je niet dik bent, dan ben je wel dom! Dom om mijn tempel kapot te maken!’ riep Roel en hij ging dreigend voor het jongetje staan. Hij spreidde zijn benen en zette zijn handen op zijn heupen. Het jongetje hield zijn hoofd weer schuin en fronste zijn wenkbrauwen.

‘Je noemt me dom. Maar jij zei daarnet wesp tegen een horzel. Was dat dan slim?’ vroeg hij.

Roel balde zijn handen. De trilling in zijn vuisten verried hoe zeer hij zich moest bedwingen om niet toe te geven aan het verleidelijke vooruitzicht van een mep.

Over het hoofd van het jongetje zag Roel de mensen op het terras. Zijn moeder, die onafgebroken tuurde naar het scherm van haar smartphone. Hopend op een sms van zijn vader. Wat als ze plots naar Roel zou kijken? Ze zou boos worden. Ze zou zeggen dat hij geen ruzie moest maken. Zeker niet mocht vechten.

Roel zette een stap naar achteren.

‘Ik kan niet alles weten, druiloor’, fluisterde hij met nauwelijks ingehouden woede. ‘En scheer je nu weg.'

‘Dus af en toe iets fouts zeggen, betekent niet dat je dom bent? Wat is dan dom zijn?’ vroeg het jongetje. 

Het zweet brak Roel uit. Alsof de laatste zonnestralen van de avond allemaal tegelijk op zijn rug vielen en hem eerst zacht prikten, maar daarna zwaar en jeukend schrijnden over zijn huid. Zijn hartslag bonsde luid in zijn oor.

‘Laat me met rust!’ piepte hij benauwd.

‘Jij noemde me toch dom? Ik wil graag weten waarom.’

Roel lachte nerveus. ‘Je bent te nieuwsgierig, kleine.’

Het jongetje lachte ook.

‘Dus jij zou mij slim vinden als ik jou niets meer zou vragen?'

Het gebons in Roels oor zwol aan tot een monotoon gebrom. Hij hield zijn handen op zijn oren en siste: ‘Precies. Maak dat je wegkomt.'

De lach van het jongetje groeide. 

‘Bedankt om je ideeën met me te delen. Ik zal er zeker nog verder over nadenken’, zei hij.

Een blonde vrouw met krullen riep plots van aan de rand van de speeltuin. ‘Ach, zit je daar!’

Het jongetje draaide zich om en baande zich wankelend een weg door het zand.

‘Ik kom, mama!’

Roel veegde zuchtend het zweet van zijn voorhoofd. Zijn hoofd tolde nog. Langzaam zette hij een stap naar achteren. Zijn voet kwam op een van zijn zandtorens terecht en hij verloor zijn evenwicht. Met een doffe plof viel hij midden in zijn keizerrijk, dat zonder aarzelen instortte.

Het jongetje met de blonde krullen stond ondertussen bij zijn moeder. Ze lachte naar hem en legde haar hand op zijn schouder.

‘Tijd om naar huis te gaan, Socrates’, zei ze.

Geschreven door Joris Doerack op 03/02/2017 - laatst aangepast op 14/06/2017

  • proza
  • flitsverhaal
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home