Mijn naam heeft ze aanvaard, al hebben anderen hem gekozen. Ze houdt niet van de schrijfwijze. Ze maakt er wel eens een kleintje van, zoals mijn meester deed. Maar dat doet ze maar één keer, en dan weer gewoon. Alsof het niet past om de namen die hij gaf uit te spreken, nu hij weg is.

 

Ze houdt haar adem in als ik in slow motion van de tafel op een stoel spring. Ze weet dat ik lijd en toch doet ze er niets aan. Waarom gaat ze met mij niet naar een dokter? Ben ik voor haar ook tweederangs? Misschien omdat ze bang is dat ik roekeloos zou worden en mijn botten breken.

 

Of omdat ik erop wijs dat er met pijn te leven valt. Ik leer haar hindernissen nemen, voorzichtig, want botsen doet pijn. Op onze leeftijd kan pijn lang duren.

Ze prijst me om mijn blauwe pels en mijn amberkleurige ogen. Ze tilt me, wiegt me en zegt dat ik een braaf meisje ben. Zoals hij tegen haar, voor hij zijn ogen sloot.  Hij zei het maar één keer in eenennegentig jaar.

 

Het is goed in haar schaduw. Ik vergeef haar dat ze me niet altijd geeft wat ik vraag. Ze is een braaf meisje, ik spin het, ze verstaat me.

(Aangepast na commentaar van Martijn Lindeboom)

Geschreven door Christine Van den Hove op 09/04/2014 - laatst aangepast op 07/03/2015

  • proza
  • flitsverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home