Lezen

Twijfelen

Twijfelen, het overkomt iedereen, zelfs de meest eloquente persoon. Alles kan eensklaps in vertwijfeling vallen. Al de muren die je rondom jezelf, je bezittingen en je geliefden gebouwd hebt, kunnen 1, 2 en 3 in brokken uiteen vallen. Het leven is voor iedereen drijfzand en met de beste riemen kan je niet altijd roeien. Angst overkomt iedereen, zelfs de meest verzekerde persoon. Alles kan eensklaps paniek veroorzaken. Alle bescherming ten spijt, vallen die zekerheden weg. We lopen allemaal op drijfzand en in drijfzand kan je zelfs met de beste riemen ter wereld nooit roeien.   Iedereen is irritant. Alles en iedereen kan al eens op de zenuwen werken. Het hysterisch gegil van dronken jongeren die van kroeg naar kroeg naar huis slingeren. Reacties van lezers op artikels. Beste nieuwjaarswensen als lege en zinloze woorden voor een al even leeg jaar. Wat is een jaar… Waarom is die overgang van jaar naar jaar zo belangrijk? Waarom slachten we schapen, waarom knuppelen we nog steeds zeehondjes dood, hoe komt het dat jij zo maar, 1, 2 3 van mij weg kan gaan, waarom zijn alle biografieën van gekende mensen al geschreven terwijl ze nog niet dood zijn, waarom werken er zoveel Marokkanen bij de MIVB, waarom kan een Franstalige Belg van pakweg 40 jaar oud geen woord Nederlands? Waarom respecteren we de nood aan stilte van mensen rondom ons niet? Waarom drinken wij, waarom zuipen wij en verwoesten wij elkaar met woorden als vlijmscherpe messen? Hoe komt het dat het beeld van onze zorgeloze jeugd, met liefdevolle moeders, gespierde vaders en vervelende zussen en broers, waar onze kijk op de wereld en onze verwachtingen van het leven slechts de grootte van een Vlaams dorp hadden, vandaag herleid is tot een tafereel dat we slechts in mijmerij vasthouden?   Mijn hoofd doet zeer, zoals in dat ene liedje waar het lijf van Ann Christy pijn doet en waar ook de pijn mijn vragen versmoort. Handen beven, benen trillen. De slaap is niet meer te vatten. Hooguit drie uur. De peuken in de asbak liggen er in een verwoest landschap van as en afval bij. Puinhoop en stank kleuren de leegte. Het is tijd om te gaan, weg van dit Babylon zonder hoeren, tijd om terug te gaan naar mijn minnaar met zijn sterke schouders, zijn beschermende armen en zijn ziekelijke bezitterigheid. Niet dus.   Het is tijd om naar huis te gaan. Om veilig te zijn. Om er keuzes te maken, in stilte. Om er de wereld te schetsen, de wereld te hertekenen, om er met rust gelaten te worden. Om de wereld te schrijven. Om de wereld opnieuw leefbaar te maken. Om openingen te vinden en deuren te sluiten . Voorgoed. Om de kat eten te geven, om naar het doodsprentje van mijn moeder te staren, om door gebroken vensters de wereld zien voorbij te wandelen, om antwoorden te vinden op futiele vragen. Om oud te worden want oud worden is mooi worden.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
24 0

Het mooie verval van een beschadigde ziel

Ik wist dat dit het einde was, zoals het bij iedereen ooit het einde zal zijn of al is geweest. Ik lag in de besloten armen van een onbekende vrouw, op zoek naar troost. Mijn verschrompeld, afgeleefd, uitgedroogd en afgepeigerd lichaam lag als een foetus een beetje stuntelig op haar dijen. Mijn huid droeg geen kleur meer en doorheen mijn breekbaar vel kon je mijn ribben tellen. Wat eens een gezonde bolle buik was, werd nu herleid tot een diepe holte waar al het goede leven leek uitgezogen te zijn. En hoewel ik nooit veel haar heb gehad en de laatste jaren van mijn bestaan door het leven ben gewandeld als een kaalgeschoren man, hingen aan mijn met bruine vlekken bezaaide schedel enkele ongekamde en uitgedunde slierten geelgrijs haar waar deze onbekende vrouw met een sussend geluid enige vorm in trachtte te aaien. De vrouw had iets weg van Kristien Hemmerechts, hoewel haar haren iets korter waren geknipt dan het stijlloze haar van de bekende schrijfster.   Waarom Kristien Hemmerechts? Ik weet het niet, misschien omdat ze onlangs op tv is komen praten over haar nieuw boek en ik ze ook regelmatig zie wegvluchten uit Brussel, tussen de Galerijen en de ingang van het Centraal Station, zoals zovele Vlamingen en andere landgenoten mijn stad snel uitwandelen onder het voorwendsel een trein naar hun dorpen te halen, omdat ze naar Brussel moeten komen, terwijl ze naar andere Belgische steden gewoon gaan.   Mijn ogen die altijd een scherpe en kritische kijk op de wereld hadden, waren nu één en al wazigheid. Net geen honderd jaar was ik en als een hulpeloos welpje lag ik totaal uitgeput van het leven, van het niet genoeg geleefd te hebben, van verdriet, van schaamte en van teveel gegeven hebben, vastgeklit aan de warmte van het lichaam van een vreemde vrouw. Haar zachte handen werkten helend, alsof ze me zeiden dat alles wel goed zou komen. Dat ik niet meer bang hoefde te zijn omdat het leven voor mij hier zijn eindpunt had bereikt. Maar ik was bang. Doodsbang. Ik trilde niet, ik snikte niet, ik braakte niet en doorheen het staar van mijn afdwalende ogen probeerde ik me dat leven te herinneren. Ik probeerde zo goed ik maar kon te kijken naar die hoge muur voor mij, zo hoog als de hemel ver van mij was. Een muur waar alle rood uit was. Deze mistroostige muur was gekleurd als mijn ziel, donker en met her en der zwartgrijze vlekken, met hoeken af, met schubben en met verval. Ik voelde me als deze levensloze muur.   Ik vroeg aan de vrouw of ik nog heel eventjes, echt, niet voor lang, dat leven nog eens mocht overdoen en als dat niet zou kunnen, of zij misschien fijne herinneringen in mijn ziel kon tekenen. Ze keek niet verbaasd op, ze hield me ook niet tegen. In stilzwijgen maakte ik me los van haar strelen en stond op. Ik was helemaal naakt, mijn oud mannenlijf was ronduit lelijk, een afschuw voor het oog en ik stonk naar de dood.   Opeens was ik 47. Opeens stond ik in een ruimte zo groot als een kathedraal, een ruimte die ingericht was als een professionele keuken, zo’n keuken die je in die vervelende TV-programma’s ziet waar een tiental kandidaten kok-in-spe dingen naar een titel, naar een bestaan en naar een belachelijk grote geldsom. Alle materiaal lag, stond en hing er, van het kleinste knoflooksnijdertje tot de grootste Magimix en de grootste fornuizen met wel acht gasvuren per stuk. Alles in blinkend spik-en-span metaal, geen vingerafdrukken, geen vetplekken, zelfs een half leeggedronken glaasje wijn dat iemand benuttigt tijdens het koken stond er niet. Alsof ik in een uitgezuiverde en saaie keuken stond van een modern presidentspaleis. Alles was er mooi opgepoetst en opgehemeld tot het uiterste. Geen spoor van afwas, alles netjes ordentelijk in de hoekjes en de kantjes opgeborgen. Ik merkte dat ik kleren droeg, ik voelde dat mijn vale huid glad was, ik had opnieuw de huid van toen ik 47 was. Overal zag je door de kasten heen. Potten, pannen, glazen en borden stonden netjes in hun rij. Nergens was eten te bespeuren, hoewel ik ook geen honger had. Alleen de donkere hoge muur stak fel af in contrast. De muur domineerde door haar statigheid, haar afbrokkeligheid, haar lelijkheid. Wat haar weer mooi maakte. Ik voelde dat ze hier thuis hoorde. Ze maakte het huis helemaal af ondanks haar verval. Althans ik dacht dat het een huis was. Ik zag nergens andere ruimtes en ik heb ook nooit in zo’n huis gewoond.   Achter mij stond diezelfde Kristien Hemmerechts lookalike. Ze noemde me lieverd of schat, dat weet ik me niet meer zo goed te herinneren. Ik leidde af dat we getrouwd waren. Ik die het altijd met mannen heb gedaan en nooit verder ben geraakt dan de forse borsten van Christine. Mijn vermoeden over onze relatie werd alleen maar sterker toen door diezelfde ruimte twee volwassen tieners gehaast rondliepen, een beetje in paniek om de bus te missen. Ze droegen kleding die deed denken aan strenge schooluniformen en ik vermoedde dat ze die ochtend naar school gingen. Ik begeleidde hen tot aan de enige deur die ergens in een verloren hoek stond afgetekend. Ik liet ze uit en mijn twee tienerdochters stapten in een nogal fel witgeel licht waar ze ingezogen werden en vervolgens veranderden in donkere en doelloze schimmen.   Ik keerde terug naar mijn vrouw maar ik werd onderweg tegengehouden door mijn oude vader die nu zo oud niet meer leek. We stonden in een oude vervallen Vlaamse hoeve zoals je die nog tegenkomt in de Vlaamse velden van Lebbeke ergens begin vorige eeuw. We stonden aan een afgebroken waterput en hoorden vanuit de diepte een wanhopige kreet van weer een andere vrouw. We konden haar heel duidelijk zien, ze droeg een doorzichtige witte jurk, haar lange haren waren iets gekruld en hadden een rode glans, zoals vrouwelijke popsterren dat weleens droegen in de jaren ’70. Met haar houding was zij als ‘De Schreeuw’ van Munch en haar blik wist ons niet echt te vinden. Ze gilde en krijste maar niemand kon haar helpen, zo diep zat zij onder de vochtige grond. Ze had letterlijk haar keel opgezet, zo groot als je ze soms in stripverhalen ziet wanneer een personage iets luids wil communiceren. In deze verhalen staan de kelen ook vaak wijd open getekend.   Ik had het gevoel dat iemand me een tweede kans wou geven om nog eens te leven. Ik wou niet doodgaan tussen de troostende armen van een onbekende vrouw, een echtgenote, een krijsende schone en mijn vader. Ik draaide me om, wilde wegvluchten maar ik werd tegengehouden door een vriend uit Vilvoorde die zich verkleed had in een angstaanjagende nar. Hij overhandigde mij een A4 blad waarop met uiterste zorg titels van elpees en cd’s op gedrukt waren. Ik moest iets kopen, drong hij aan. Maar ik had alles al. Uiteindelijk kocht ik een elpee met goedkope Hollandse discodeuntjes en weg was hij.   En dan werd ik wakker. Ik lag nog enkele minuten stil, de ogen wijd open, te bekomen van mijn avontuur. Toen ik me omdraaide, zag ik dat het tien over vier ’s nachts was, zo’n uur waar je bij denkt : het is te vroeg om nu al op te staan en het is te laat om te hervallen in een diepe slaap, uit angst het geluid van een vrolijke harp dat ik al jaren heb ingesteld om wakker te worden niet zou horen. Ik lag wat te peinzen. Zowat een uur geleden was ik 46 jaar geleden geboren. Ik zit nu al in mijn 47ste levensjaar. Ik peinsde dieper en dieper. In de rubriek ‘doodsberichten’ van de krant zal je lezen, geloof me, dat de meeste mensen net voor of net na hun verjaardag sterven. Zo is het ook met mijn moeder gegaan : gestorven op 5 april, geboren op 10 april.   Maar als die lelijke muur mijn ziel was, de onbekende vrouw mijn troostende moeder, mijn vader mijn eeuwige held, de twee tienermeisjes slechts droomfiguranten waarvan ik één die avond nog in een doktersprogramma over bedplassen op Vitaya had gezien en als de schreeuwende vrouw mijn bevrijding was, dan kon ik mezelf geruststellen : zeggen dat het leven me goed afgaat en ik wenste mezelf een mooie en gelukkige verjaardag.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
49 0

De wildernis

Kilometers gleden voorbij – bijna was hij er, op één van de laatste plekjes ongerepte natuur in het land. Kilometerpaal 42, had de oude journalist geschreven. Daar vertrok het pad, niet meer dan een lijntje tussen de varens en de rotsblokken door, steeds steiler wordend. En aan het eind van dat pad moest het liggen: een stuk naaldwoud dat je nog zonder je te schamen ‘wild’ kon noemen, waar everzwijnen en vossen nog ongestoord hun gang konden gaan, waar de afgelopen eeuwen misschien vijf mensen geweest waren. Na kilometerpaal 41 werd de weg kronkelig en hobbelig, slecht onderhouden, vol afgewaaide takken. Gespannen in het stuur knijpend hield hij de rand van de baan in het oog, wachtend op dat verlossende getal 42. Op een door gure wind en zure regen aangetast, verroest plaatje prijkte nog net het getal 43. Onverstoord draaide hij de wagen. Hij moest onderweg een bordje over het hoofd gezien hebben. Kordaat reed hij terug tot de vorige kilometerpaal. Die met nummer 41. Met gefronste wenkbrauwen parkeerde hij de wagen even voor plaatje 41, waar net plaats was voor één auto, en wandelde een keer of drie van 41 naar 43 en terug. Geen paal 42. Dat was het probleem niet: ook geen pad naar het maagdelijke naaldwoud. Nergens was er een helling naar boven. Ongeveer tussen de twee bordjes ontdekte hij wel een smalle spleet tussen twee rotsblokken van zo’n twee meter hoog. Moeizaam wurmde hij zich door de opening en zigzagde tussen de bomen erachter. De helling ging omlaag en gaf uit op een grasveld waar twee koeien hem starend opwachtten. Dat er iets niet in de haak was met de schrijfsels van de oude journalist, was nu wel duidelijk. Vorige week was hij naar het veengebied in het oosten gereden om de waterval te vinden waar slechts een handvol mensen ooit in gebaad hadden. ‘Geen chocoladeverpakkingen, geen lege flesjes of blikjes energiedrank, geen gebruikte condooms,’ had de oude journalist daarover geschreven. ‘Een verademing, dit ongestoord ruisende wonder, één van de laatste overblijfselen van de natuur zoals ze was voor er zelfs maar mensen in ons land kwamen wonen.’ De stukjes van de oude journalist hadden zijn hersenen maandenlang op hol gebracht, tijdens de uren die hij sleet in de kroegen van de stad of op zijn studentenkamer met uitzicht op het keurig aangeharkte en met verpakkingen, lege flesjes, blikjes en gebruikte condooms bezaaide stadspark. Zielsveel hield hij van het gezoem en gebruis van de stad, maar de ruwe, wilde natuur is altijd nog iets anders. Nu was de zomer aangebroken, nu had hij alle tijd van de wereld – of toch tot de herexamens begonnen – om alle goed bewaarde geheimen die de oude journalist had beschreven in zijn column De laatste wildernis op te zoeken. De laatste wildernis was zelf een goed bewaard geheim. Duizenden mensen kochten de weekendkrant en lazen de stukjes over waar ze moesten eten, wat ze moesten kopen, hoe ze moesten vrijen en waarheen ze moesten vliegen. Slechts een handvol mensen las De laatste wildernis, en alleen hij deed moeite om naar die illustere plekjes, de laatste restjes en brokjes wilde, ongerepte natuur in eigen land, te speuren. Maar de waterval in het veengebied bestond niet – niet op de kaart, niet in werkelijkheid. En het zompige eiland in het meer in het heuvelland, waarop ‘dieren en planten voorkomen die in de rest van het land al lang verdrongen zijn door villawijken en dagjestoeristen’, bleken eveneens een verzinsel. ’s Avonds was hij aangekomen aan de oever van het meer, erop gebrand de warmste nacht van het jaar onder de blote hemel door te brengen op het eiland. Op een afgevallen boomstronk was hij over het inktzwarte meer gegleden, niet bang voor de afgrijselijk gillende watergeest die volgens eeuwenoude volksverhalen boven het water zou zweven. Het eiland bereikte hij echter niet. Overtuigd dat hij in het donker iets gemist moest hebben, overnachtte hij in het lange gras op de oever en waagde een nieuwe poging in de koelte van de ochtend. Maar ook onder het licht van de zon lag er geen eiland in het meer. En nu bleek ook het maagdelijke woud, dat onze verste voorouders niet durfden te betreden omdat het tot het jachtterrein van de nachtgodin behoorde, enkel te bestaan in de verbeelding van de oude journalist. Sneller dan hij ooit gelopen had, snelde hij naar de auto en scheurde weg, terug naar de autosnelweg, richting de hoofdstad. Daar, ergens in dat herenhuis met de ronde ramen en de engelenbeelden tegen de gevel, moest hij wonen. Op de tweede verdieping, volgens de namen op de deurbel. Verwonderd opende de oude journalist de deur. ‘Wat kan ik voor u betekenen?’ vroeg hij terwijl hij in zijn ogen wreef. ‘Waar is die wildernis van u?’ vroeg hij zonder zich voor te stellen. ‘De waterval. Het eiland. Het maagdelijke bos. Allemaal bedacht door u.’ De journalist zuchtte en keek naar de vloer. Hij opende de deur wat verder, zodat hij kon binnenkomen. ‘Weet u… Er zijn echt nog wel wilde stukjes natuur in ons land. Alleen… Als ik daarover zou schrijven… Er moet maar één gezinnetje op het idee komen om die plekjes op te zoeken en dat rond te bazuinen. Dan ligt het daar volgende week vol blikjes en condooms. En rijden er mensen met bakfietsen rond.’ ‘Bakfietsen,’ herhaalde hij. ‘Laat me daar niet aan denken.’ ‘Precies daarom heb ik een rookgordijn gecreëerd. Hoe weinig mensen mijn stukje ook lezen, zolang de krantenlezer denkt dat de wildernis in ons land op de plaatsen ligt die ik beschrijf, blijven ze tenminste weg van de echte ongerepte natuur.’ ‘En waar ligt die dan wel?’ De journalist stapte naar zijn bureau, toverde een kaart van het land tevoorschijn uit de tweede lade en bracht er zorgvuldig twee kruisjes op aan. ‘Hier.’ Hij nam de kaart aan en verliet het gebouw zonder afscheid te nemen. Terug in de wagen staarde hij enkele minuten naar de kruisjes, zette zijn aansteker tegen de kaart en gooide vervolgens de nog knisperende resten uit het raampje, voor hij de motor startte.

Felix Sandon
29 0

Mijn roman in Parijs schrijven

Ik was vergeten hoe zorgeloos Parijs kon zijn in de warmste zomermaand van het jaar. Ik herinnerde me alleen nog de pijn die de lichtstad kon geven. Mijn eerste indrukken zijn de sterksten van mijn trip to Memory Lane en staan in deze eerste tekst.   Ik kom twintig dagen schrijven in Parijs. Om het drama gehalte in mijn schrijven te accentueren. Om af te rekenen met Parijs zoals ik 23 jaar geleden afgerekend heb met Brussel.   Ons eerste weerzien gebeurde schuchter. We vibreerden allebei daar in het Gare du Nord. Het was een aangenaam maar ongemakkelijk en verrassend weerzien. Ik had niets gezegd over mijn terugkeer. Aan niemand. Alleen aan Parijs. Parijs, mijn oude vriend die me zoveel geboden heeft, zoveel afgenomen. Parijs die me geperverteerd heeft, Parijs die me getroost heeft. Waar ik de mooiste mensen heb ontmoet, waar… ach, het zal allemaal de komende dagen geschreven zijn.   Nog steeds wandelen Parijzenaren gehaast door de straten zonder iemand een blik te gunnen, nog steeds heerst er chaos, wanorde en ongeduld in de straten. La baguette française smaakt nog even heerlijk en boodschappen doen is een heuse culinaire wandeling langs afgemeten rekken gevuld met rillettes en terrines de campagne. Ik vind mijn sirop d’orgeat terug en vraag me af of de mayonaise hier ook onder bepaalde wetgeving staat. Zelfingenomenheid, attitude en drama sieren de gemiddelde Parijzenaar. La parisienne doordrenkt met de juiste dosis arrogantie. Het kleine kopje koffie aan de toog, het ritme van het spreken, oude vrouwen zien eruit als verloren kunstenaressen en het hipstergehalte is onrustwekkend hoog. De gemiddelde dertiger raast nog steeds krap en knap in kostuum op scootertjes door straten en op voetpaden. Mannen blijven hier mooi, al verandert de charme al snel door de flagrante arrogantie in hun spreken, in hun gestes, gewoon in hun manier van zijn. Seks hangt in de lucht, verleiden blijft een lokale sport.   Het worden twintig dagen van schrijven, herontdekken, ontdekken, kennismaken en mezelf voorgoed feliciteren met wat ik in Parijs ooit heb bereikt. Een ander heeft het nooit gedaan. Waar zou ik mijn standbeeld kunnen neerzetten? Of klinkt dat té Parijs?   En dan, Parijs ’s ochtends? Parijs overdag? Paris by night? Parijs in Summer Night City mood?   Ik weet nu nog niet waar het naartoe leidt. De omstandigheden zijn gunstig : mijn Spotify galmt door een Bose luidspreker, temperaturen gaan boven de 30 graden, het appartement dat ik twintig dagen mag hebben is rustig en heeft een mooi uitzicht. In ruil ben ik dog- en papegaaizitter. De frigo heeft eten en drinken. Er is geen uur. Het is exen terugzien, plaatsen een plaats geven, het is een leven terug glad strijken. Het is afsluiten. Het is een nieuw ander leven durven beginnen met een ander in mijn eigen stad. Het is opnieuw kunnen zeggen aan iemand : ik hou van jou. Het is opnieuw leren aanvaarden dat hij ooit hetzelfde zegt tegen mij. Het is van de warmte van de zomer van Parijs naar mijn eigen Zomer in Brussel gaan. Het is dit boek schrijven.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
19 0

Urban Trail Mechelen - schrijf een nieuwsbericht (opdracht 3)

Op zaterdag 5 december overspoelen 4000 lopers de binnenstad van Mechelen tijdens de Gazet van Antwerpen Urban Trail. Dit loopevenement van +/- 10 km is ondertussen aan zijn tweede editie toe en ook dit jaar weer volledig uitverkocht. De organisator Golazo Sports belooft een pareltje van een parcours.  Om 20u starten de eerste lopers in waves aan de Veemarkt.     Het parcours  De renners bezoeken opeenvolgend onder andere Kazerne Dossin, het Groot Begijnhof, het Bisschoppelijk Paleis, brouwerij het Anker,… De laatste halte is een kort bezoekje door het stadhuis. Je kan hier het volledige parcours downloaden.     Nieuw dit jaar is de 'fast lane'. Op het parcours zullen er twee Fast Lanes zijn. Zo kan jij blijven lopen indien je niet wil aanschuiven aan deze locaties. De Fast Lanes bevinden zich aan Brouwerij Het Anker en het Stadhuis. Dan zie je de locatie niet in zoveel detail maar dan loop je wel vlotjes door en langs.    Verkeersbeperkingen  Kom je met de auto naar Mechelen hou dan rekening met de verkeersbeperkingen. De binnenstad wordt op zaterdag 5 december tussen 19 en 23u voor alle verkeer afgesloten. Voertuigen geparkeerd op het parcours en de ingesloten straten moeten blijven staan en kunnen dus tussen 19 en 23u niet vertrekken! Je kan dus best parkeren op de randparking. Klik op deze link voor meer verkeersinformatie.    Veel succes  Na afloop worden alle renners beloond met een welverdiende manneblusser. Bij een streepje muziek kan je samen met vrienden en familie nagenieten van je prestatie in de Winterbar. We wensen alle renners in ieder geval veel succes en loopplezier! 

Karin van Hees
0 0

De Trippelcontainer

Zaterdagochtend kreeg ik plots een opruimaanval. Ik stond nog in pyjama mijn tanden te poetsen terwijl ik verveeld mijn kamer rondkeek. Je weet natuurlijk niet hoe mijn kamer eruit ziet, maar ik zal toch even proberen een beeld te schetsen. Er staat een bed, een bureau, onze kat Trippel trippelt er rond, er is een lavabootje (dat is geen boot waar lava uit spuit, maar het verkleinwoord van lavabo) en dan zijn er nog die twee leuke matjes van de Ikea waarvan ik schat dat 98% van de Vlaamse bevolking ze in hun (bad)kamer heeft liggen. Alles wat er in mijn kamer staat, is dus vrij normaal, maar het probleem was: ik kon het niet meer zien staan want alles was bedekt door het mooiste wat God (of de Zara) ooit geschapen heeft, namelijk kledij.   Mijn grote boezem bevond zich nog steeds bh-loos in mijn pyjama en begon dit overduidelijk beu te worden, dus besloot ik op zoek te gaan naar een soutien. Zoals vermeld is mijn schap behoorlijk omvangrijk en bijgevolg zijn mijn bh’s dan ook – hoe zeg ik dat subtiel - GIGANTISCH. Een zoektocht naar dit kolossale voorwerp zou dus niet al te veel tijd in beslag mogen nemen. Een minuut of 10 van hopeloos zoeken verder (borsten eindelijk stevig ingesnoerd) besefte ik dat er iets moest gebeuren met de overvloed aan kleren in deze kamer. Als een bezetene begon ik ze te sorteren: welke houd ik bij en welke doe ik weg? Ik vond nog een oude joggingbroek van 5 maten te groot die heerlijk slobberde en trok ze meteen aan om verder te werken. Ik was erg gedecideerd, gezien de opruimbui waarin ik verkeerde, dus kreeg het over mijn hart een hele berg kleren in een valies te proppen en naar de dichtstbijzijnde kledingcontainer te rijden, die naast een kerk twee straten verder stond.   Het was een zaterdagochtend, nog vrij vroeg, en het leek wel alsof iedereen in mijn dorp nog heerlijk lag te ronken, na een tof vrijdagavondje. Ik opende de koffer van mijn auto, sleurde de valies eruit met al mijn kracht (beduidend weinig dus) en wandelde richting kledingcontainer met een gevoel van trots. Wat ben ik toch een brave burger! Toen ik de valies openritste, puilde de berg kleren flink vooruit, dus ik nam een grote hoop in mijn armen en gooide hem in het schap van de container. Net toen ik de hendel naar boven duwde, dacht ik dat ik iets zag bewegen tussen mijn kleren, maar ik was al te ver om nog terug te trekken. In een flits zag ik effectief iets wild tekeergaan tussen de oude kledingstukken. Ik schrok zo hard dat ik een gilletje sloeg en vlak daarna hoorde ik het, heel stil, maar ik hoorde het. ‘miaauw, miaauww…’. Ik moet daar een seconde of 10 voor me uitgestaard hebben. Toen begon ik te fluisteren: ‘ik heb NIET zonet mijn kat in een kledingcontainer gegooid. Ik heb NIET zonet mijn kat in een kledingcontainer gegooid!!’ Ik begon wanhopig te zoeken naar een telefoonnummer op de container en keek om me heen of er iemand was om me te helpen. Er stond enkel een auto van een begrafenisondernemer geparkeerd voor de kerk, er moest een dienst bezig zijn. Godzijdank vond ik snel een telefoonnummer dat je moest bellen om het bedrijf van de containers te bereiken. ‘Goeiedag, onze kantoren zijn geopend op weekdagen tussen 9 en 17 uur…’ Oké rustig blijven, er zit een kat in een kledingcontainer, dit is te bizar, het kan niet moeilijk zijn. Maar de enige oplossing die ik zag, was er zelf inkruipen om onze lieve Trippel te gaan redden. Ik zou hem opvissen en snel op de grond laten vallen (katten komen toch op hun pootjes terecht?) en dan mezelf weer naar beneden hijsen. Apetrots op mijn geniaal plan, gebruikte ik mijn valies als opstapje en klemde mijn vingers helemaal achterin de container. Terwijl ik mijn armen zo strekte, voelde ik tot mijn grote spijt dat mijn joggingbroek begon af te zakken. Maar ik had mijn beide armen nodig om me vast te houden, dus dan maar even in mijn onderbroek verder doen. Toen mijn hoofd eindelijk zicht had op de binnenkant van de container, zag ik een overvloed aan schoenen, handtassen, onderbroeken, vuilzakken, bh’s, broeken, T-shirts, plastic zakken, lege blikjes, handschoenen, een spin, sjaals, kousen, … alles eigenlijk. Behalve een kat.   Ik begon hysterisch met mijn armen heen en weer te bewegen en voelde dat mijn jogging meer en meer naar beneden zakte, maar had nu echt de tijd niet om ze op te trekken, ik moest mijn kat vinden voor ze stikte tussen al die kleren! Plots zag ik tussen een rasta-muts en een roze hotpants een pootje met scherpe nageltjes. Ein-de-lijk! ‘Trippeltje, kom bij mij, kom poesje!’ Ik pakte hem steviger vast dan ooit (ik heb hem in de voorbije 2 jaar ongeveer 4 keer vastgenomen, dus dit was wel een erg speciaal moment) en probeerde me elegant naar beneden te laten glijden. Het is een klein understatement om te zeggen dat ik er minder elegant dan een buffel met bottinnen uitgezien moet hebben. De hendel van de container schraapte langs mijn T-shirt, dat dus naar boven kroop, mijn jogging zakte zijn laatste kleine stukje naar beneden en belandde dus op mijn enkels, en ik botste met mijn hoofd tegen de rand van de container, wat een knal van jewelste gaf. Maar ik had de grond bereikt!! Ik was zó euforisch dat ik ‘YEEEESS!’ uitbrulde en mijn kat een dikke knuffel gaf. Toen ik opkeek, zag ik een man of 40 naast de begrafeniswagen staan met ogen zo groot als pingpongballen en handen voor hun opengevallen monden. Het viel me op dat iedereen vandaag wel héél somber gekleed was, zeker in vergelijking met mijn knalrode snoopy-onderbroek.

Hans Desmet
28 0

H(aa)i certificaat, bye-bye ervaring

Schrijfopdracht 3 : ‘Wat uit je leefomgeving, werkmilieu of samenleving roept irritatie op of boeit?’   De hoofdgedachte: Het irriteert mij dat certificaten belangrijker worden ingeschat dan de opgedane kennis en ervaringen.   Welk soort opiniërend artikel (genre: bvb column, betoog, beschrijvend,…) ga je schrijven? è betoog     H(aa)i certificaat, bye-bye ervaring   Jan heeft zijn “Certified” certificaat gehaald. Fijn voor Jan, maar is Jan daardoor beter dan zijn collega die het vak al jaren uitvoert en geen specifiek certificaat heeft? Is ervaring voor jou plots niets meer waard? Heb je geen respect voor de kwaliteiten van iemands werk. Spring even met mee in het diepe water. Wat is de gelijkenis tussen de ervaren geëngageerd ‘selfmade’ coach en de coach met een specifiek certificaat? Beiden bouwden kennis op en verdiepten zich erin. Het verschil zit in de theorie en de praktijk.   Ik voel me als een vis in het water en bijt me vast in dat wat mij boeit. Door mijn interesse en passie verdiep ik me graag in mijn vakgebied. Ik duik onder, bijt me vast in de materie, observeer, luister, leer. Ik gebruik deze kennis om mijn cliënten zo goed mogelijk vooruit te helpen. Ik ben begaan en help hen. Cliënten zijn tevreden. Leren is een levenslang proces , een leerschool die steeds verdergaat. En oh zo boeiend is! Wat verandert een “certified” A4-papiertje aan de muur aan mij? Ben ik daarmee plots beter, meer ervaren of meer bekwaam?   Als echte haaien laten uitgevers van ‘certificaten’ ons dit graag geloven. Kies zelf. Met welke coach ga jij liefst in zee ? Kies je voor de doorgedreven ervaring en kennis of voor het A4tje .   Inez

Inezz
0 0

1.

Zaterdag 21 november. 14u38. De Meir. Op dit moment van de dag laat het me alles zien waar ik een hekel aan heb: kleine kinderen die aan haren trekken van nog kleinere kinderen, oude mensen die aan ijsjes likken, tienermeisjes in veel te korte rokjes voor deze tijd van het jaar. Ik beeld me in hoe ik er zou uitzien in zo’n rokje en verdring die gedachte al snel. Ik probeer me niet in te beelden hoe die oude mensen die aan ijsjes likken er in zo’n rokje zouden uitzien. Ik zit op een van de grijze banken en de koude plakt aan mijn billen, door mijn jeans heen. Ik heb de gewoonte om altijd dezelfde broeken te kopen, in verschillende kleuren. Mijn mama zei mij altijd dat ik vast moet houden aan dingen die mij gelukkig maken.    14u45. Onderweg van de meir naar de bakker zag ik vier mensen struikelen. Acht mensen hun neus snuiten. Twaalf mensen kussen. Ik heb iets met tellen en met lijstjes. Ik had alleen medelijden met de eerste persoon die struikelde en met de rest moest ik stiekem lachen. Ik weet niet wat voor een persoon dat van mij maakt.                             15u. Ik kocht twee broden: een voor mij en een voor buurman Jacques. Om 15u21 kwam ik bij hem thuis maar ik wachtte nog negen minuten tot het 15u30 was. Ik belde vier keer, zoals ik altijd deed. En ik weet dat Jacques wachtte aan de andere kant van de deur tot ik vier keer gebeld had, omdat hij wist dat dat voor mij zo hoorde. Jacques is 87 en momenteel de enige persoon die mij echt begrijpt, denk ik. Hij vindt mij niet raar als ik aan de deur wacht omdat het uur niet klopt, of als ik eens niet langskom omdat de kat mij die dag nog geen kopjes had gegeven en ik mijn huis niet kan verlaten als de kat dat niet gedaan heeft. Hij vertelde mij ooit dat er een schoonheid schuilt in mijn vastberadenheid. Mijn “vastberadenheid”, zo noemde hij dat. Hij noemde het niet abnormaal of ziekelijk, maar vastberaden. Ik heb dat altijd mooi gevonden. Vroeger zeiden mijn klasgenoten dat er beesten schuilden in mijn hoofd, maar ik had hen gezegd dat ze dat droomden, dat er in mijn hoofd niks anders zat dan woorden en dingen die ik niet gezegd krijg. En dat dat niet erg is: dat sommige dingen mooier worden door ze te verzwijgen. Ik denk niet dat ze me begrepen.

Mariekebn
0 0

Soulmates found each other in London

I could hold it in because I was too scared to realize that this could be real. I could stop myself from crying because I simply cannot imagine that we won't be living together anymore. It feels so unreal because it's so sudden. 3 hours ago we were partying our worries away in another crazy London club and now we are here, saying goodbye. I could hold my tears because I just refuse to believe that I won't be seeing your face every day. I guess the tears will come when you're not there to dance with me on a Friday night. Or when I arrive somewhere and someone decides to take a look at me instead of the ridiculously gorgeous girl standing next to me. I guess the tears will come when you're not there to make me laugh for hours until our tummies are aching and our flat mates want to kill us for being so loud. The tears will surprise me when I'm thinking out loud and you're not there to make a clever yet absurd comment that makes me put everything into perspective. The amount of songs that will make me think of the good times we had from now on is just crazy, so unfortunately I can't afford (both money-wise and cellulite-wise) to get myself a pot of Ben and Jerry's and a spoon every time I hear one. On the other hand, I personally consider that as a pretty legit excuse for eating ice-cream. My eyes will get wet when I hear someone talk with an 'Espanish' accent that reminds me of you (although I strongly doubt if I will ever meet someone with the same twisted accent, honestly I don't know how you come up with it sometimes, amazing). And still, both not being English girls, I think we managed quite well in having interesting and deep conversations about our lives and opinions about several things, some more sophisticated than others, but okey. It's an understatement to say that we never had a second of silence from the moment we met (the situation alone clearly announced the start of an epic friendship: ah tu parles Francais? Bon je dois te dire quelque chose un peu bizarre...). 4 months is a very short time, but only you and I can understand that living in a room as tiny as a toddlers toilet changes the non-existing rules of friendship quite a bit, if not completely. Usually you will have a sleepover with a new friend after a certain amount of time, for us the sleepover came first and the friendship followed a bit later. Sometimes you don't have to look far to find a true connection with a person, sometimes it's just right there, literally in the top bunk of your bed. And that's by far the most important thing: this connection we have. You might be in 'Ashia', Denmark or Honolulu, it doesn't matter, this connection, unlike the Wi-Fi sometimes, will never break. Just making sure you know that I don't think you are dead because I am obviously speaking as if a tragedy has happened. I know: it hasn't. But it's still an ending of a very special time and words can't even start to describe how much I am going to miss you. I guess the crying starts right now, as I finish writing this, because I know you're not here to comfort me, to hold me when I'm sad, to hug me when I'm lonely, to wipe away my tears and put that smile back on my face in no time.

Hans Desmet
12 0