Lezen

Warm geschreeuw

wat warm het geschreeuw  uit de yakimō wagen - verkiezingsweken    In Japan is geschreeuw niet per definitie agressief of storend. Het geroep van een yakimō-wagen (zoete aardappel-wagen) is warm en uitnodigend: een verkoper die zijn aanwezigheid aankondigt met een vaste melodie, bijna zingend, bedoeld om mensen naar buiten te lokken in de kou. Het is een vertrouwd wintergeluid, iets huiselijks, dat hoort bij seizoenen en ritme. Je hoort er het aankondigen van warme, zoete aardappelen in, ademwolkjes, avondstraten. Het geschreeuw tijdens verkiezingsweken is van een heel andere orde. Politici spreken luid, bijna agressief, door megafoons vanaf busjes, herhalen slogans en namen, niet om nabijheid te creëren maar om zichtbaar te zijn, om ruimte in te nemen. Dat geroep is functioneel, opzichtig, tijdelijk — het verdwijnt zodra de verkiezingen voorbij zijn. De wagen die ik hoorde voorbijkomen was die van Sanseito, een ultra nationalistische partij. Ik hoorde slogans als: Japan voor de Japanners. Die woorden klonken hard en onvriendelijk.  Gelukkig hoorde ik kort daarop het geschreeuw van de zoete aardappel wagen. Ik kocht er een zoete aardappel die me troost bood.  In mijn haiku botsen die twee vormen van geluid: het ene verwarmt letterlijk en figuurlijk, het andere vult de straat zonder warmte achter te laten. Het woord geschreeuw verbindt ze, maar de ervaring van de luisteraar maakt het verschil. Dat spanningsveld draagt mijn haiku  

Margaretha Juta
5 1

Beste café

Het moet een uur of vier geweest zijn maar dat doet er niet toe. Ik ken hem sinds jaren, jou kende ik niet. En toch had ik ooit een deel van je gezien. Je had toen een terras dat in een steeg stond, in niemands weg de wijn op de tafels. Mensen met pratende monden, niemand die huilde van geluk. Ik had alleen naar je gekeken, niet van jou gebruik gemaakt. Op enkele meters van je vandaan mochten we de feestzaal betreden, daar ging het concert door. En ik hoor op de radio dat Paul van Nevel jarig is. Tachtig is hij vandaag. Zijn ensemble bracht hemelse klanken voort. Toen in die imposante zaal, mijn foto's zijn zeven stille getuigen. Beste café, vanaf nu heb je een naam en een interieur. Ik ken de wenteltrap die in je huist. Op jouw spiegelende binnenkant leest men wat er te eten valt. Prijzig de gerechten. Duur de gesloten flessen. Wij hebben jou geopend zoals het hoort, dwz...meteen achter ons de wind buiten gehouden, ze duwde kort tegen de deur maar mijn heup duwde terug. Jouw glimlach viel in het slot. Ja, ik noem een voordeur een glimlach. Wanneer ze oprecht is, worden we een antwoord gewaar op ons gelaat. Hij zat naast me, ik naast hem. Twee dames tegenover ons in een vrolijk gesprek, met een bestek dat deels in hun monden verdween. Ik zag voor het eerst jouw trots! Jouw toog waar je geen barkrukken verdraagt maar waar het licht zacht is en warm haar kleur. Beste café, het duurde niet lang, ik nam een foto van je. Je liet dat zomaar gebeuren. Nu ik het beeld bekijk zie ik de mannen in kaders, ze zullen wel belangrijk zijn. Wie zijn ze? Het koningsblauw valt op. De geur van haar parfum brengt me onmiddellijk terug naar waar ik zit, de vraag om af te rekenen, haar dienst zit erop.   (een schrijfoefening, stroomschrijven) 

Ingrid Strobbe
3 0